Quality of Life

Toespraak Conferentie

for more information: Jules Ruis


Back to the index of Quality of Life



Toespraak van Minister De Gucht tijdens de
derde Belgisch-Nederlandse Conferentie in Den Haag

(29 september 2004)

Mijnheer de voorzitter,
Mijnheer de Minister,
Dames en heren,

Het ligt niet meer zo vers in het geheugen, maar België is, zoals u weet, ontstaan uit een separatistische revolutie waarmee het zich losscheurde uit het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Een paar honderd opstandelingen hadden de buurt rond het Brusselse stadspark onder controle gekregen. Er werd wat geschoten met de inderhaast opgetrommelde Nederlandse troepen en er vielen doden. Niet zoveel, het had helemaal niets te maken met de bloedige oorlogen zoals we die in de twintigste eeuw kenden.

Toch zag het er voor de betrokkenen ernstig uit toen ze de nacht ingingen met de zekerheid dat het machtige Nederlandse leger hen de volgende dag zonder veel omhaal uit het park en wijde omgeving zou verdrijven. Maar bij het ochtendgloren bleek dat de dappere Nederlanders Brussel niet de moeite waard vonden om voor te vechten. Ze slenterden huiswaarts om zich vreedzaam bezig te houden met lucratievere zaken.

U begrijpt dat de Belgische patriotten enkele dagen nodig hadden om te herstellen van de verbijsterende vaststelling dat de vijand Brussel en de rest van het land zelfs geen behoorlijk gevecht gunden. Net zoals een man die nauwelijks opkijkt wanneer zijn vrouw komt melden dat ze hem verlaat.

Dames en Heren,

Intussen zijn we beiden, België zowel als Nederland, tot de vaststelling gekomen dat deze onverschilligheid weinig oplevert. Integendeel, we hebben, zo mag ik hopen, geleerd dat we, als sterk verwante buurlanden, er alle belang bij hebben om in het uitbreidende Europa zoveel mogelijk een gezamenlijke koers uit te zetten. Maar ook dat Nederland voor ons op heel wat gebieden een cruciale partner is en economisch een bijzonder grote rol speelt. We hebben bovendien - en nu spreek ik even als Vlaming - ondervonden dat onze taal en cultuur het absoluut noodzakelijk maken om bijzonder intensief samen te werken.
Meteen zijn de drijfveren van een sterke Belgisch-Nederlandse samenwerking geschetst: twee buurlanden met een zeer verregaande economische en culturele verwevenheid die bovendien samen, als founding fathers, in het Europa van 25 lidstaten hun belangen met veel meer kracht kunnen verdedigen dan apart.

Precies daarom ligt er al een lange geschiedenis van uitvoerige samenwerking achter ons, zowel binnen als buiten het kader van de Europese Unie. Die samenwerking verankerde zich institutioneel in de Benelux samenwerking, de voorloper van de Europese Economische Gemeenschap. De Benelux, die al tijdens de oorlogsjaren werd uitgetekend, was ingegeven door dezelfde beweegredenen als die waarop later de EEG zou stoelen: economische integratie, die de welvaart van de deelnemende landen zou verhogen, en de aanzet zou vormen voor samenwerking op andere beleidsdomeinen.

Met dit in gedachten is de Benelux niet zomaar een samenwerkingsverband. Het is een institutioneel platform dat onze nauwe banden tegelijk symboliseert en verankert.
Het Benelux-verband moet ook in de toekomst een rol van betekenis blijven spelen, omdat daartoe een rationele noodzaak bestaat. Het is in ons welbegrepen eigenbelang dat wij proberen zoveel mogelijk gezamenlijk naar buiten te treden. Samen betekenen we duidelijk meer dan de som van ieder afzonderlijk. Eén plus één is in dit geval meer dan twee.

Want het is overduidelijk dat het Europa vandaag nog nauwelijks lijkt op de onderneming die in 1958 startte met de inwerkingtreding van het Verdrag van Rome. Vandaag telt de EU 25 landen, en ongeveer 450 miljoen inwoners. België telt 10,5 miljoen hoofden, Nederland ongeveer 16 miljoen. Samen 26,5 miljoen, bijna 6 procent van de totale EU bevolking. Als u dat vergelijkt met de situatie in 1958 is dat niets minder dan een spectaculaire daling van ons relatieve gewicht.

Maar de Unie verschilt vandaag ook kwalitatief van deze van gisteren. De ondergang van het communisme en de uitbreiding van de EU die daarop volgde, leidde tot veel gevarieerder meningen over de koers die de Unie moet varen. De EU is werkelijk een heterogeen gezelschap geworden waar de meningen van Nederland en België moeten concurreren met een groot aantal andere opinies en voorkeuren.

De tijd dat de Benelux de helft van de landen van de Unie uitmaakte, en daarin haar mening zonder veel problemen kwijt kon, is definitief voorbij. Vandaag zijn er in de EU een heel aantal "clubjes". Er zijn de groten, de kleinen, de Visegrad-landen, de Baltische staten, de Skandinaven, de oude lidstaten, de nieuwe lidstaten en ga maar door.

Wat kunnen relatief kleine landen als de onze dan doen om hun maatschappelijke en politieke visie nog in deze nieuwe Unie weerspiegeld te zien?

Mijmeren over het verleden brengt geen soelaas en ieder van ons moet zich aanpassen aan de nieuwe situatie en proberen andere landen, groot of klein, oud of nieuw, voor zijn zaak te winnen. Systematische allianties waarin op elk domein een gezamenlijk standpunt wordt ingenomen lijken ondoenbaar, ook al hebben Parijs en Berlijn samen die aspiratie. Een zekere mate van bilateralisme, van wisselende allianties afhankelijk van het dossier is dan ook aangewezen.

Toch moeten wij binnen de wisselende allianties, denk ik, opnieuw naar een vast ankerpunt zoeken, naar een baken.

Onze traditionele band moeten we nauwer aanhalen. In ons gemeenschappelijk belang. De Benelux lijkt mij vanuit die optiek ook voor morgen nog een uitermate geschikt forum. Een forum van waaruit België en Nederland samen met Luxemburg nog kunnen wegen in Europa. De EU partners van vandaag, zelfs de nieuwe lidstaten, hebben een zeker respect voor de Benelux als de historische voorhoede van de Europese samenwerking. Onze mening wordt met aandacht beluisterd zowel in Parijs als in Berlijn, terwijl veel kleine landen naar de Benelux kijken als natuurlijke leiders van de kleinere lidstaten.

De bilaterale as Nederland-België lijkt mij an sich evenzeer belangrijk. Ten slotte weet men in Den Haag erg goed wat in Londen leeft, terwijl Brussel goed over Parijs is ingelicht. En samen weten wij veel meer dan elk afzonderlijk.

De Benelux en de Belgisch-Nederlandse bilaterale samenwerking blijft derhalve van groot belang, in een groeiend Europa en een geglobaliseerde wereld.

Ik geloof dat de bijeenkomst van vandaag een goede gelegenheid is om die noodzaak van een vernieuwd élan in onze samenwerking diepgaand te bespreken. Een gedeeld inzicht vormt daarbij slechts een eerste stap. Om effect te hebben moet ons besluit om onze samenwerking te versterken operationeel gemaakt worden. Het mag niet bij algemene beschouwingen blijven. We moeten over structuren beschikken om onze samenwerking te verbeteren.

Tevens is het noodzakelijk, wil ons streven naar gezamenlijke standpunten in een serene sfeer gebeuren, dat onze bilaterale dossiers aan beide zijden de nodige aandacht krijgen en constructief worden aangepakt.

Sta mij toe even in te gaan op de twee voor België meest belangrijke dossiers. Zij zijn reeds lang hangende en vergen voor een uiteindelijk vlotte afwikkeling politieke ondersteuning op het hoogste niveau.

Ten eerste is er de treinverbinding tussen Antwerpen en het Ruhr-gebied, beter bekend als de IJzeren Rijn. Na vele jaren van discussie is een doorbraak in zicht dankzij het speciaal opgerichte Arbitrage-panel. Maar dit panel kan slechts een uitspraak doen wanneer de vooraf gestelde vragen via een verdrag door beide Parlementen zijn goedgekeurd. Wij hopen en verwachten dat de Nederlandse regering de Tweede Kamer ervan zal overtuigen de ratificatie van het verdrag onverwijld af te handelen.

Ten tweede is er de uitdieping van de Westerschelde, waarvan de snelle uitvoering van groot belang is voor de toekomst van de haven van Antwerpen. Studies hebben nu aangetoond dat de verdieping zowel uit het oogpunt van het milieu als de rentabiliteit - met ook grote baten voor Nederland - verantwoord is. Wij gaan er daarom van uit dat de termijnen voor de politieke besluitvorming, vervat in het memorandum van Vlissingen, worden gerespecteerd, en dat alles in het werk wordt gesteld om de baggerwerken begin 2007 te kunnen aanvatten.

Dames en Heren,

Ik stelde zoëven dat de samenwerking tussen Nederland en België slechts kan versterkt worden wanneer ze operationeler wordt gemaakt.

Indien wij bilateraal of in Benelux verband slechts een paar uur voor een Raadsvergadering of een ander Europese vergadering met elkaar overleggen, missen we volgens mij veel opportuniteiten. Op dat moment hebben de Nederlandse en Belgische diplomaten en ambtenaren hun werkzaamheden al afgesloten. De standpunten liggen dan al vast, en aftoetsen, wikken en wegen kan nauwelijks nog.

Ik stel daarom voor dat Nederland en België al op een veel vroeger tijdstip samenkomen. Onze directoraten Europese Zaken kunnen in een vroeg stadium standpunten aftoetsen en waar nodig informatie delen. Indien mogelijk en wenselijk kan dit dan leiden tot een gemeenschappelijk standpunt. Op die manier maken wij meer tijd en energie beschikbaar voor het bundelen van onze politiek.

Ook zou vanuit de ministeries van Buitenlandse Zaken een impuls moeten uitgaan om andere Belgische en Nederlandse vakministers en administraties vroeger en systematischer te doen samenwerken. Want het Europa van alledag wordt vooral door de vakministers uitgebouwd. Regelmatig contact tussen Nederlandse hoge ambtenaren en hun Belgische evenknie in de diverse ministeries zouden een breed draagvlak kunnen vormen voor samenwerking op Europees vlak.

Vroege aftoetsing en samenwerking zal ons diplomatiek en politiek personeel persoonlijk dichter naar elkaar brengen en de noodzakelijke vertrouwdheid met de nuances van onze standpunten verhogen.
Misschien zelfs valt te denken aan de uitwisseling van ambtenaren, zodat de kennis van het partnerland en zijn administratie van binnenuit wordt verdiept.

Dit neemt natuurlijk niet weg dat een gemeenschappelijk standpunt niet altijd mogelijk of wenselijk zal zijn. Zo hebben België en Nederland toch niet dezelfde sociaal-economische structuur, wat op verschillende domeinen tot andere belangen leidt, denk maar aan de sector van het wegtransport.
De cultuur van zakendoen is eveneens niet helemaal dezelfde. Sommige mensen beweren dat het Belgische zakenleven hoofdzakelijk een onderonsje is in kleine besloten kringen. Terwijl er in de praktijk weinig landen zijn waar zoveel bedrijven zo vlot in vreemde handen overgaan. Anderzijds heeft Nederland natuurlijk een indrukwekkende geschiedenis als handelsnatie achter zich. Maar dat betekent nu ook weer niet dat elke buitenlander of zelfs Belg die hier zaken wil doen een probleemloos parcours rijdt. Perceptie en de Realiteit durven inderdaad nogal eens van elkaar verschillen.

Verder is er natuurlijk ook de realiteit van de wisselende politieke conjunctuur in elk van beide landen, van veranderende partijcoalities en regeringen. Soms staan de politieke sterren gunstig voor intense samenwerking, soms ook niet. Soms spelen traditionele allianties een grote rol, zoals bij de discussies over de oorlog in Irak.
Maar zeker op momenten dat het wat moeilijker gaat, is het cruciaal dat de "top" en met name de eerste ministers en de ministers Buitenlandse Zaken een sterk signaal geven dat het engagement om te blijven samenwerken wordt bevestigd. "When the going gets tough, the tough get going" is een devies dat ons in die momenten moet inspireren.

Dames en Heren,

Laat Nederland en België, zoveel mogelijk, waar het kan, met één stem spreken. Wij zullen er des te krachtiger mee klinken in een Europese ruimte waar door de opeenvolgende uitbreidingen alsmaar meer verschillende geluiden te horen zijn.

Bovendien zal u zich dan, meer dan ooit tevoren, welkom voelen in Brussel, uw Europese hoofdstad. En zullen wij, als nooit voorheen, beseffen hoezeer wij u al die jaren hebben gemist.
Ik dank u zeer.

 

Terug naar de top van deze pagina