|
Onderstaande tekst is een voorstudie.
De definitieve tekst wordt eind 2005 bij SMO
gepubliceerd.
DRAFT: Not for quotation
Koers 2020 Smart people, smart economy, smart
society
W.J. de Ridder Januari 2005
Inhoudsopgave
1. Inleiding 2. Opkomst van de
informatiemaatschappij 2.1 Veranderende
leefwereld 2.2. Veranderend
bedrijfsleven 2.3. Veranderende
steden 2.4.
Veranderende wereldeconomie
3. Turning point
2001 3.1
Installation-period 3.2 Deployment-period
3.3
Institutional recomposition
4. Koers 2020 4.1 Contouren van de
nieuwe leefwereld 4.2 Contouren van het
nieuwe bedrijfsleven 4.3. Contouren van de
nieuwe stad 4.4. Contouren van de
nieuwe wereldeconomie
5. Smart society
5.1
Onzekerheden in het toekomstonderzoek 5.2 Contouren van de
nieuwe tijd 5.3 Structureren van
de beleidsvorming 5.4 Timing
1. Inleiding
Big bang in de ontwikkeling
van de technologie In 1971 introduceerde Intel de ‘Computer op
een chip’. Het was de eerste microprocessor die vanwege de lage
productiekosten er van de ontwikkeling van de micro-elektronica een
ongekende impuls gaf. Deze Intel 4004 chip genaamd, werd gemaakt in
opdracht van de Japanse calculatorfabrikant Busicon en had met 2030
transistoren dezelfde rekenkracht als de eerste – een zaal vullende -
computer, de ENIAC, die in 1946 op de markt was gekomen. Intel behield het
recht om tegen betaling van $ 60.000,-- aan Busicon de kennis te gebruiken
voor de ontwikkeling van nieuwe chips en legde daarmee de basis voor een
ongekende technologische revolutie. De Engelse wetenschapper Carlota Perez
kiest deze gebeurtenis als de big bang die aan een technologische
revolutie vooraf pleegt te gaan. Vier maal eerder was er sprake van een
overeenkomstige innovatie. De Intel-chip staat namelijk op dezelfde lijst
als de katoenspinnerij die Richard Arkwright in 1771 in het Engelse
Cromford opende. Die gebeurtenis wordt alom gezien als de technologische
innovatie die het begin van de Eerste Industriële Revolutie inluidde. De
prijs die George Stephenson in 1829 won van de Liverpool & Manchester
Railwaycompany met de stoomlocomotief ‘The Rocket’ was de big bang van de
Tweede Technologische Revolutie in de menselijke geschiedenis. De
staalfabriek die Andrew Carnegy in 1875 in Pittsburgh, Pennsylvania,
bouwde markeerde de start van de Derde Technologische Revolutie. Het
gouden tijdperk van de olie, de auto en de massafabricage, de Vierde
Technologische Revolutie, werd geopend met de introductie van de T-Ford,
die in 1908 in Detroit voor het eerst werd geproduceerd.
Big bang in ontwikkeling van
de ervaring van ruimte en tijd Ook op andere terreinen is er
sprake van een big bang. In 1999 stelt Margaret Wertheim: “Vlak voor
onze ogen ontwikkelt zich cyberspace, een nieuwe wereld met de
exponentiële kracht van zijn eigen big bang. Precies zoals volgens
kosmologen de fysieke ruimte van ons heelal zo’n 15 miljard jaar geleden
vanuit het niets door een explosie is ontstaan, zo is ook de ontologie van
cyberspace een ex nihilo. We are witnessing here the birth of a new
domain, a new space that simply did not exist before.” Dit citaat van
Margaret Wertheim dateert van 1999. Vijf jaar later is het begrip
cyberspace, ook wel commons of virtuele ruimte genoemd, gemeengoed. Wij
zijn vertrouwd geraakt met de nieuwe wereld die naast de fysieke en de
mentale ruimte een op zichzelf staande omgeving is geworden, waar iedere
denkbare combinatie, permutatie en configuratie van netwerken mogelijk is
. Michael Benedict noemt cyberspace een extra plaats waar het bewustzijn
terecht kan.

Big bang in de financiële
wereld De sterke stijging van de koersen op de effectenbeurzen
die zich met name in de jaren ’90 van de vorige eeuw afspeelde, kwam in
2001 tot een einde toen de koersen in een jaar tijd sterker daalden dan
ooit tevoren. Met de wijsheid achteraf werd vastgesteld dat een luchtbel
was leeggelopen. In de opmaat naar het hoogtepunt van de koersvorming was
de maatschappij in de ban van de nieuwe economie. Blijkbaar was het niet
mogelijk met alle kennis van eerdere hypes op de financiële markten en van
fundamentele wetmatigheden in de economie om de onmogelijkheid van de
voortzetting van de hoge beurskoersen te voorspellen.

Big bang in de ontwikkeling van maatschappelijke ideologieën.
Ook de val van de Berlijnse Muur op 9 november 1989 is als een
big bang ervaren. Voor de één is deze gebeurtenis de triomf van het
kapitalisme over het communisme, voor de ander het begin van een tijd
waarin het kapitalisme zonder tegenkrachten – en dus ongebreideld - zijn
weg in de wereld kan vervolgen. Aan deze ontwikkeling kwam een abrupt
einde door een andere big bang, die van 11 september 2001, zijnde de
terroristische aanslag op het World Trade Centre in New York. Het is een
diep ingrijpend moment in het denken over de toekomst van onze
maatschappelijke orde in een steeds vijandiger wordende omgeving.
De Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber stelt
in dit verband dat het globale kapitalisme van McWorld geestelijke waarden
ontkent en de cultuur vervlakt, en dat de Jihad moet worden gezien als een
extremistische reactie daarop. De Jihad haat het globale, alles
gelijkschakelende effect van McWorld en wil als reactie zijn eigen,
particuliere, sektarische regiem aan de maatschappij opleggen. In de
strijd tussen McWorld en Jihad om de hegemonie, nemen beide hun toevlucht
tot dwang, geweld en manipulatie. Voor Barber ligt de sleutel voor de
oplossing van deze strijd in de verdediging van de ’civil society’, het
gebied van de burger die, niet gedwongen door pressie van economische
belangengroepen of religieus of etnisch geweld, medevormgever van de
maatschappij is.

Kruispunt Met de
beschreven big bangs is de problematiek geïntroduceerd die centraal staat
in dit essay. Wij gaan in het hiernavolgende nader in op de Vijfde
Technologische Revolutie en op de betekenis die deze heeft voor de
economie en de maatschappij van dit moment en voor die van de komende
tijd. In het volgende hoofdstuk zijn enkele vraagstukken beschreven
die in meer of mindere mate aan de gevolgen van de actuele technologische
ontwikkelingen kunnen worden toegeschreven. Zij hebben zowel betrekking op
veranderingen in de leefwereld van de mens als op die in het
bedrijfsleven. Ondernemers ervaren daarbij niet alleen dat afnemers en
medewerkers steeds vaker andere prioriteiten stellen en verwachtingen
hebben, maar ook dat het productieproces ingrijpend verandert. De stad,
als metafoor van de leefomgeving van de mens, blijft in deze ontwikkeling
niet achter en met de invloed van de globalisering kan met recht worden
gesteld dat de samenleving zich voor wat de intensiteit van
veranderingsprocessen betreft, zich niet onbetuigd laat. In het derde
hoofdstuk volgen wij Perez met haar analyse van de relatie tussen economie
en technologie in de tijd. Zij concludeert dat economische actoren die met
succes inspelen op de condities in de samenleving die als gevolg van
technologische ontwikkelingen zijn veranderd, het meest profiteren van de
commerciële mogelijkheden die zich aandienen. In het vierde hoofdstuk
worden enkele van die mogelijkheden verkend en wordt een beeld opgeroepen
van de tijd die ons de komende jaren staat te wachten. In het
afsluitende hoofdstuk wordt de visie op de cyberwereld samengevat.
Hopelijk is daarmee het doel bereikt dat is beoogd: het centraal stellen
van de noodzaak van strategische oriëntaties van mensen, bedrijven en
instellingen op nieuwe technologische, sociaal-psychologische, economische
en maatschappelijke ontwikkelingen. Daarbij worden wij gesteund door de
literatuur op dit onderwerpt die steeds sterker convergeert. Dit wijst op
toenemende consensus over de richting die de samenleving opgaat. De strijd
om de toekomst kan beginnen.

2. Opkomst van de informatiemaatschappij
2.1 Veranderende leefwereld
De informatierevolutie die in de jaren ’70
schoorvoetend begon en daarna tot ontwikkeling kwam, duurt onverminderd
voort. Over de gevolgen van informatietechnologie wordt gesproken alsof er
sprake is van een ‘singularity’, a future time when societal, scientific,
and economic change is so fast we cannot even imagine what will happen
from our present perspective. Daarmee is niet het laatste woord gezegd,
maar eerder het eerste. De rekenkracht van de computer benadert binnen een
decennium die van het menselijke brein. In 2050 winnen naar verwachting
robots de voetbalwedstrijd tegen de winnaar van de Champions League, zoals
de computer in 1997 de schaakwedstrijd tegen Kasparov won. Van Kasparov is
de uitspraak: even if I don’t want to, now I have to think about man
versus something else, an alien. Die wereld is realiteit geworden.
Ook de Spaanse socioloog Manuel Castells stelt
vast dat deze technologische revolutie de wijze transformeert waarop en
wat we denken, hoe we produceren, consumeren, communiceren, handelen,
leven en zelfs liefde beleven. Daarbij verandert de sociale structuur,
want dominante functies en processen worden in toenemende mate via
netwerken georganiseerd. Castells prijst de dynamiek van wat de
informatiesamenleving wordt genoemd, maar wijst er ook op dat de
onbeheersbare turbulentie tot instabiliteit kan leiden. Er spelen
processen van decentralisatie, technificering, flexibilisering,
ont-hiërarchisering (vervlakking), individualisering, multiculturalisering
en versplintering van gemeenschappelijke stelsels van normen en waarden,
maar er vindt ook nieuwe gemeenschapsvorming plaats. Velen voelen zich in
al deze veranderingen als een zojuist losgelaten vis; vrij, maar erg
onwennig.
Tijd en ruimte, voorheen de materiële stutten van
menselijke ervaring en samenleving, worden getransformeerd, doordat de
space of flows de space of places domineert en timeless time kloktijd doet
verdwijnen. Mensen raken hierdoor hun voorgeschreven ritmes kwijt. Deze
vrijheid gaat gepaard met sterke gevoelens van onveiligheid en
onduidelijkheid. Vaak reageert men hierop met een poging orde in de chaos
te scheppen wat echter niet meer mogelijk is. De risicomaatschappij , met
haar veranderingssnelheid en haar culturele complexiteit is immers een
gegeven, waar mensen in en vanuit deze chaos aan het eigen leven vorm en
richting moeten geven. Niet iedereen is hiervoor toegerust; de vrijheid en
zelfstandigheid van het individualisme leiden tot gevoelens van
eenzaamheid en vervreemding. Dit kan ook overgaan in opportunisme, een
toestand waarin de individuele autonomie niet naast, maar tegenover de
(morele) verantwoordelijkheid voor anderen komt te staan.

Kapitalisme en
uitsluiting Macht neemt in het informatietijdperk een andere
vorm aan: the power of flows takes precedence over the flows of power. De
kapitalistische mondiale economie en productiewijze wint in de gehele
wereld terrein. Het kapitalisme is inmiddels in de cultuur geworteld en
wordt door steeds weer vernieuwde technologie ondersteund. Maar nu de
wereld voor de eerste keer in de geschiedenis rondom een grotendeels
gelijke set van economische regels is georganiseerd, wordt zichtbaar dat
dit technologische kapitalisme gebieden en groepen uitsluit, omdat ze,
gezien vanuit de dominante belangen, irrelevant zijn. Het nieuwe
kapitalisme is wel flexibeler dan voorheen, maar ook harder in zijn
doelen. Kortom; wie niet aan de eisen van deze (mondiaal kapitalistische)
netwerklogica weet te voldoen, verdwijnt van het toneel en wordt
slachtoffer van de informatiesamenleving.
Een andere
dynamiek De dynamiek van de informatiesamenleving leidt tot een
nieuwe leefwereld die niet in oude termen te begrijpen is. Hoewel geld een
rol zal blijven spelen bij het verkrijgen van belangrijke materiële
hulpbronnen, is het bezit ervan niet meer het enige onderscheidende
criterium. Status wordt ontleend aan de positie van het individu in voor
hem relevante netwerken. Individualisering gaat dan ook samen met
versterking van sociale relaties. Columniste Dorien Pessers schrijft in de
Volkskrant dat individualisering zowel een verlangen als een dwang is
waarmee gewonnen en verloren wordt. Hoogleraar sociaal en cultureel beleid
Paul Schnabel stelt dat 'individualisering als maatschappelijk proces
zichtbaar wordt in de verzelfstandiging van mensen ten opzichte van
elkaar'. Tegenover dit begrip van zelfstandigheid staat volgens Pessers
een groot misverstand, namelijk dat individualisering zou leiden tot
onafhankelijkheid van alles en iedereen. Pessers wijst in dit verband op
de illusie van onafhankelijkheid die het zelfstandig geworden individu
zich vaak voorstelt. De markt en de media spelen hier vaak handig op in:
just be yourself, wear nike: De Mul & Frissen stellen dat 'de
postmoderne samenleving een supermarkt van life styles is geworden'.
Volgens Pessers worden mensen kapitalistische ondernemers van hun eigen
leven, werkgevers van zichzelf. Zij worden hiermee tevens verantwoordelijk
voor zichzelf, hun gezondheid, hun arbeids(on)geschiktheid, voor hun
alles. 'Gevolg is dat de werknemer tegenwoordig zijn eigen onderdrukking
en uitbuiting dreigt te organiseren. Hij treedt op als mini global player
in het global casino, zogenaamd optredend in een maatschappelijk vacuüm en
beseft niet dat hij het product is van een samenleving van
afhankelijkheidsrelaties en overgeleverd aan krachten buiten zijn macht'
Brinkgreve formuleert het als volgt:
individualisering vraagt van sommigen meer zelfkennis en meer
zelfbeheersing dan men zou willen en meer verantwoordelijkheid dan men
aankan. Het voorheen vaststaande lot, het voorgeschreven leven, is met de
individualisering verdwenen. Een onzekere toekomst en omgeving heeft men
er voor teruggekregen. Bauman beschrijft deze overgang van destiny naar
uncertainty in zijn artikel: From pilgrim to tourist als de verschuiving
van de moderne naar de postmoderne identiteit. Hij gebruikt hiervoor de
metaforen van de flaneur, de zwerver, de toerist en de speler. Deze mens
is er, volgens Bauman, op uit om alles uit het leven te halen wat erin
zit. Vooral en boven alles wil hij van het leven genieten. Bauman schetst
dit leven van de postmoderne mens als een spel, waarin geen regels en
wetten bestaan. Met iedere nieuwe generatie informatietechnologie (dat is
iedere twee à drie jaar) wordt onze maatschappij meer uncentralized.

Slachtoffers Deze
overgang naar een nieuwe leefwereld kent ook verliezers. Zij zijn als het
ware slachtoffers van de informatiesamenleving. Iedereen die niet gebruik
kan maken van de verworvenheden van de nieuwe wereld, door eigen onkunde
of doordat anderen het beter kunnen, definiëren wij als slachtoffer. Dit
kunnen individuen zijn maar ook groepen. Zij worden in meer of minder mate
uitgesloten van participatie. Slachtoffers zijn ook diegenen wiens plaats
in de samenleving wordt aangetast als gevolg van functieverlies of
relatieve deprivatie. De dominante processen die de informatiesamenleving
beheersen, te weten informatisering, informalisering, individualisering en
globalisering creëren een onzekere en veranderlijke omgeving waarin mensen
sneller het slachtoffer worden van de nieuwe wereld. Veel voorkomende
slachtoffers zijn:
- jongeren die niet over vaardigheden beschikken waarmee
met behulp van informatietechnologie eigen netwerken worden opgebouwd.
Vaardigheden op dit terrein zijn voor jongeren voorwaarden om goed te
kunnen functioneren. Wie de aansluiting mist, raakt gemakkelijk de weg
kwijt en vlucht in overmatig gebruik van genotmiddelen, in
verslavingsgedrag, criminaliteit en vereenzaming.
- werkenden die in hun arbeidssituatie worden
geconfronteerd met veranderende en vaak diffuser wordende structuren en
niet over vaardigheden beschikken om deelnemen in informele netwerken
die in veel gevallen belangrijker zijn dan de formele kaders in de
besturing van organisaties. Hier schuilt één van de oorzaken van
werkstress en burn-out. Ook de mogelijkheden om in te spelen op de eisen
van het privé-leven vormen voor de één een bevrijding, voor de ander een
overbelasting van het leven.
- immigranten die als geen ander voor de taak staan om te
integreren in netwerken die hen onbekend zijn. Tweede- en derdegeneratie
allochtonen slagen hierin vaak beter dan degenen die op oudere leeftijd
in ons land komen wonen. Waar de aansluiting ontbreekt, is vaak sprake
van achterstand, eerst in het onderwijs en later op de arbeidsmarkt. Het
behoud van de eigen cultuur mag tot meer zekerheid in het bestaan
leiden, als de aansluiting op de vele netwerken in onze samenleving
ontbreekt is maatschappelijke uitsluiting vrijwel onvermijdelijk
Winnaars Naast
slachtoffers zijn er ook winnaars. Dat zijn degenen die de
informatiemaatschappij zien als middel om hun behoeften te bevredigen.
Behoeften die in de voorbije tijd vooral op materieel gebied lagen maar
met het stijgen van de welvaart steeds immateriëler worden. Daarmee wordt
aangesloten bij het streven van de mens naar zelfverwerkelijking zoals
door Maslow is beschreven. Abraham Maslow attempted to synthesize a large
body of research related to human motivation. Prior to Maslow, researchers
generally focused separately on such factors as biology, achievement, or
power to explain what energizes, directs, and sustains human behavior.
Maslow posited a hierarchy of human needs based on two groupings:
deficiency needs and growth needs. Within the deficiency needs, each lower
need must be met before moving to the next higher level. Once each of
these needs has been satisfied, if at some future time a deficiency is
detected, the individual will act to remove the deficiency. The first four
levels are: 1) Physiological: hunger, thirst, bodily comforts, etc.;
2) Safety/security: out of danger; 3) Belonginess and Love:
affiliate with others, be accepted; and 4) Esteem: to achieve, be
competent, gain approval and recognition.

According to Maslow, an individual is ready to
act upon the growth needs if and only if the deficiency needs are met.
Maslow's initial conceptualisation included only one growth
need--self-actualisation. Self-actualised people are characterized by:
· being problem-focused; · incorporating an ongoing freshness of
appreciation of life; · a concern about personal growth; and · the
ability to have peak experiences.
Maslow later differentiated the growth need of
self-actualisation, specifically naming two lower-level growth needs prior
to general level of self-actualisation (Maslow & Lowery, 1998) and one
beyond that level (Maslow, 1971). They are: 5) Cognitive: to know, to
understand, and explore; 6) Aesthetic: symmetry, order, and beauty;
7) Self-actualisation: to find self-fulfilment and realize one's
potential; and 8) Self-transcendence: to connect to something beyond
the ego or to help others find self-fulfilment and realize their
potential.
Maslow's basic position is that as one becomes
more self-actualised and self-transcendent, one becomes more wise
(develops wisdom) and automatically knows what to do in a wide variety of
situations. Daniels (2001) suggests that Maslow's ultimate conclusion that
the highest levels of self-actualization are transcendent in their nature
may be one of his most important contributions to the study of human
behavior and motivation.
2.2. Veranderend bedrijfsleven
Relatie met
afnemers Nog steeds en ten onrechte gaat het economisch denken
veelal terug naar de wereld van Alfred Marshall, die aan het einde van de
19e eeuw economische wetmatigheden formuleerde voor een wereld waarin
ondernemers zich voornamelijk bezighouden met bulkproductie. Marshall
schreef wetten van de verminderde meeropbrengst op zijn naam, alsmede de
daarmee verbonden evenwichtsvoorwaarden onder condities van volkomen
concurrentie. Het zijn de economische wetmatigheden die het meest bekend
zijn. Als de productie toeneemt, neemt de prijs per product af. Veilingen
voor commodities als groenten, olie en koffie laten dat mechanisme
dagelijks zien.
In de huidige tijd zou hij voor zeer veel andere
producten tegenovergestelde verbanden beschrijven. Anders dan met land,
fysieke arbeid en kapitaal (de belangrijkste productiemiddelen in zijn
tijd), zijn informatie en kennis moeilijk deelbaar, niet inherent schaars,
vertonen bij gebruik geen afnemende meeropbrengst. Zij regenereren
zichzelf en kunnen worden verkocht en tegelijkertijd behouden. De reden
hiervan is dat de producten die de mensen kopen, steeds virtueler worden.
Als een fysiek product wordt verkocht, verandert het van eigenaar. Als een
idee, een visie, een mening wordt verkocht, beschikken zowel de oude als
de nieuwe eigenaar erover. Cleveland zegt het aldus: if it’s a thing, it’s
exchanged; if it’s information, it’s shared. De transformatie die we thans
meemaken, is het gevolg van het feit that the world’s key resource is now
a sharing resource. Voor deze producten geldt de wet van de toenemende
meeropbrengst. Immers als een product een zekere bekendheid heeft
verworven en het wordt aantrekkelijk geacht, willen ook anderen het
product bezitten. Naarmate meer mensen dat willen, neemt de prijs toe. De
prijs vertegenwoordigt immers de waarde die de kopers er aan toekennen. Er
is met andere woorden sprake van netwerkeffecten, zoals onder andere door
Metcalfe en Reed zijn geformuleerd. Er treden ook increasing returns op
als aanbieders in staat zijn om verwachtingen te wekken bij afnemers
inzake de relatie die zij ook in de toekomst met elkaar kunnen
onderhouden. Deze factor wordt wel de discount parameter of the future
genoemd.
Deze producten bevinden zich niet op het laagste
niveau in de piramide van Maslow. Het zijn, met andere woorden, producten
die hun waarde ontlenen aan hun betekenis binnen de nieuwe
collectiviteiten die typerend zijn voor de netwerksamenleving. Zij vormen
inmiddels de kernen van de snelst groeiende sectoren van de economie, maar
in ons maatschappelijk bestel zijn de consequenties hiervan nog niet
getrokken (zie ook 2.3).
Het internet draagt in hoge mate bij aan de
kracht van de marktwerking. Vooral commodities ondervinden hiervan de
gevolgen. Met name door de gemakkelijke toegankelijkheid van informatie
over prijzen en kwaliteiten neemt de concurrentie toe en nemen de marges
naderhand af. In een markt met veel concurrentie zijn winsten doorgaans
laag en is het voor bedrijven vaak onaantrekkelijk om er een positie op te
bouwen. Het voor de hand liggende beleid impliceert het zoeken naar
markten van producten die in meerdere mate intangible’ zijn, waar afnemers
voornamelijk ervaringen en belevenissen kopen. In winstgevende markten
zijn ondernemingen in toenemende mate experience stagers. Zij koppelen hun
goederen en diensten aan belevenissen die de afnemers zelf ervaren. Een
bezoek aan een pretpark is niet alleen van betekenis op het moment van het
uitgaan, maar ook vanwege de gedeelde herinnering aan het gezamenlijk
verblijf. Het zijn de aanbieders van belevenissen geweest die in de
laatste decennia hun prijzen gemiddeld het sterkst hebben verhoogd en in
die tijd ook de minste prijsschommelingen hebben gekend.



Deze ontwikkeling kan ook op een andere
wijze in beeld worden gebracht. De figuur laat dit zien.

Deze figuren laten effecten zien van de
toenemende betekenis van de netwerksamenleving voor het bedrijfsleven.
Afnemers zijn beter dan ooit in de gelegenheid om ervaringen uit te
wisselen en gezamenlijk gebeurtenissen mee te maken. Navenant neemt de
markt toe van producten die hierop inspelen.

Deze ontwikkeling doet zich niet alleen voor in
de markt van consumentenproducten. Ook in de zakelijke markt zijn emoties
en belevenissen belangrijk. De gebeurtenissen rond Arthur Andersen laten
zien dat een product als accountantscontrole niet een commodity is maar
een experience. De ondergang van Arthur Andersen zal een mijlpaal blijken
te zijn in de ontwikkeling van de marketing discipline in het
bedrijfsleven. Het verhaal is bekend: Arthur Andersen, de accountant van
het in opspraak geraakte energiebedrijf Enron, bekende op 14 mei 2002 dat
er opdracht was gegeven om de firms document retention policy uit te
voeren. Dat betekende dat verouderde, of niet langer meer benodigde,
documenten moesten worden vernietigd. Op 15 juni 2002 kwam de jury van de
rechtbank in Houston tot het oordeel dat het accountantskantoor daardoor
schuldig was aan obstructie van justitieel onderzoek. In maart 2002 hadden
al een reeks grote Amerikaanse bedrijven te kennen gegeven dat zij Arthur
Anderson niet langer als auditor wensten. Drie maanden later hield Arthur
Anderson op te bestaan en moesten de 80.000 werknemers van dit
internationale accountantskantoor een andere werkgever zoeken. In
Nederland werd Arthur Anderson opgenomen in de Deloitte
–organisatie. Vastgesteld kan worden dat het verdwijnen van Arthur
Anderson niet het gevolg is geweest van een beslissing van een financiële
autoriteit, maar van een ontwikkeling die zich in cyberspace heeft
afgespeeld. Dit impliceert dat mensen informatie uitwisselen over
gebeurtenissen die met integriteit te maken hebben en daaraan een moreel
oordeel toevoegen. In een aantal gevallen, zoals bij Arthur Anderson,
wordt een dergelijk oordeel door anderen overgenomen, vaak wordt het
oordeel genegeerd. In dit proces van voortplanting van ideeën worden
bepaalde connotaties steeds weer herhaald en via processen die veel
gelijkenis vertonen met Darwinistische wetmatigheden ten aanzien van
celdeling, kunnen deze dominant worden. De dominante beelden bepalen
vervolgens de inhoud van de boodschap, in het onderhavige geval het
oordeel over de wijze waarop Arthur Anderson met het begrip integriteit is
omgegaan. Audit is blijkbaar geen commodity. Een accountant is een
experience player.

Cyberwar Onder de
term Cyberwar of Infowar worden drie verschijnselen begrepen:
- Hacken: het kraken van informatiesystemen wereldwijd, met
soms grote schadeposten voor het bedrijfsleven. Hackers kennen
verschillende motivaties: de pure uitdaging, een bevlogen ideologie of
het bewust toebrengen van schade.
- Netactivisme: actievoeren met gebruikmaking van internet,
hetzij als organisatiehulpmiddel, hetzij als laagdrempelige methode voor
informatieoverdracht. Netactivisme is vaak gericht tegen het
bedrijfsleven, maar niet exclusief.
- Cyberwar (in enge zin): het inzetten van het
hackersinstrumentarium door (para-) militaire organisaties of
terroristische groeperingen. De oorlog in Kosovo wordt wel gezien als de
eerste Cyberwar, zoals de Vietnamoorlog de eerste televisieoorlog was en
de Golfoorlog de eerste hightech-oorlog. Hoewel met name de VS hiermee
naam heeft gemaakt, is Cyberwar ook een wapen voor 'armere' landen en
organisaties.
Maatschappelijke organisaties hebben in hoog
tempo het internet geadopteerd als krachtig instrument voor het vormen van
netwerken. Wil je iets bereiken, dan heb je medestanders nodig, en
elektronische netwerken zijn uitermate geschikt om die te vinden. Voor
sommige actiegroepen is het internet één van de instrumenten. Behalve aan
groepen activisten biedt het internet ook de mogelijkheid aan individuen
om heel gemakkelijk en zonder hoge kosten hun bevindingen omtrent
maatschappelijke vraagstukken of hun ervaringen met een bedrijf
wereldkundig te maken. Een zogenaamde suck-site, een website waar een
bepaalde onderneming flink onder vuur wordt genomen, is met, vrij
verkrijgbare, software gemakkelijk op te zetten. Een dergelijke
lasterpagina wordt meestal op het internet gezet door een enkele
teleurgestelde consument en kan, als er genoeg medestanders worden
gevonden, binnen korte tijd uitgroeien tot een druk bezochte website met
een schat aan informatie over het (verwerpelijke) gedrag van een
onderneming. Het is dan slechts een kwestie van tijd dat actiegroepen en
vervolgens ook de traditionele media er aandacht aan gaan besteden. Bij
voldoende media aandacht kan een suck-site behoorlijke schade aan het
imago van een onderneming aanrichten. Het internet biedt ook de
mogelijkheid om coalities te sluiten. Zo kunnen westerse belangengroepen
daadkrachtig optreden tegen bedrijven die zich misdragen in
ontwikkelingslanden wanneer ze over informatie beschikken dat door ter
plekke zijnde organisaties verstrekt wordt. Een campagne tegen de
erbarmelijke omstandigheden van werknemers in een fabriek in India
bijvoorbeeld, heeft een grotere impact wanneer Indiase
belangenorganisaties rapporten en bewijzen aanleveren. Toen actiegroepen
nog afhankelijk waren van telefoon, fax en briefpost was het moeizaam
informatie uit te wisselen of samenwerkingsverbanden aan te gaan. Die tijd
is nu voorbij. Thanks to the Net, mobilizations are able to unfold with
sparse bureaucracy and minimal hierarchy; forced consensus and labored
manifestoes are fading into the background, replaced instead by a culture
of constant, loosely structured and sometimes compulsive information
swapping.

De massale protestacties tijdens de WTO top in
november 1999 zijn een mooi voorbeeld van dankzij internet tot stand
gekomen coalities. Honderden belangen- en actiegroepen uit de hele wereld
ontmoeten elkaar eerst op internet om daarna gezamenlijk te participeren
in wat de geschiedenis in zal gaan als ‘The Battle of Seattle’. Nu vinden
veel non-governmental organizations (ngo’s), die zich inmiddels
andersglobalisten zijn gaan noemen, elkaar in het World Social Forum dat
in 2005 voor de vijfde maal bijeen komt. Het WSF startte in 2000 als
tegenhanger van World Economic Forum (WEF) in Davos, maar is met meer dan
100.000 deelnemers een eigen politieke macht geworden. Tekenend was in
2000 het bezoek van de Braziliaanse president Luiz Inácio Lula da Silva
van de Braziliaanse Arbeiderspartij (PT), aan zowel het World Economic
Forum als het World Social Forum. Lula bracht de WSF-boodschap naar het
WEF en niet omgekeerd. Later werd besloten dat het WSF niet meer
gelijktijdig met het WEF behoeft plaats te vinden. De dialoog met de
machtigste ondernemers van de wereld wordt niet meer gezocht. Niet
iedere cyberwar heeft succes. In 2002 werd een omvangrijke campagne tegen
Exxon op touw gezet, ingegeven door de weigering van het olieconcern om
zich in te laten met de bestrijding van het broeikaseffect. De oproep tot
een kopersstaking had geen effect. Benzine is blijkbaar een commodity en
levert geen experience, zo mag de conclusie zijn.

Winnaars en
verliezers In het bedrijfsleven tekent zich een groep
ondernemingen af die inspeelt op de veranderingen in de leefwereld van
mensen. Er is ook een groep die dat niet of minder doet en daartoe
wellicht ook niet over de mogelijkheden beschikt. Tot de eerste groep
behoren de aanbieders van de goederen en diensten die goed aansluiten bij
de belevingswereld van de afnemers. In sommige gevallen is het niet het
product, maar de persoon van de ondernemer, of van de familie die het
bedrijf runt, die tot de verbeelding spreekt. Tot de tweede groep behoren
de aanbieders van commodities die worden geacht te voldoen aan hetgeen de
afnemer als ‘maatschappelijk verantwoord’ beschouwt. Wie geen emotie
verkoopt, moet zich conformeren aan de visie van de burger die via
maatschappelijke activisten, daartoe door het internet in de gelegenheid
gesteld, duidelijk is gearticuleerd.
2.3. Veranderende steden
Beleving in de stad
Er is sprake van een explosief groeiende vermaakindustrie die
zich met name in de grote stad concentreert. Qua aantal banen overstijgt
de sector belangrijke werkgelegenheidssectoren zoals het bank- en
verzekeringswezen of de voedings- en genotmiddelenindustrie. Binnen een
stad als Rotterdam steekt de vrijetijdseconomie inmiddels de haven naar de
kroon waar het gaat om stedelijke werkgelegenheid. Er is sprake van een
permanente speurtocht naar nieuwe ‘ervaringsproducten’, die vervolgens
worden aangeboden in steeds aantrekkelijker ruimtelijke en programmatische
combinaties, met een sterkere profilering, een kortere omloopsnelheid en,
indien succesvol, een snellere en omvangrijkere distributie.
Spectacularisering en thematisering is de heersende trend in de
vrijetijdsindustrie: multiplexen met ruim twintig bioscoopzalen,
skiheuvels met echte sneeuw, kolossale winkelcentra zoals de factory
outlets in Lelystad en sportertainment- complexen aan de stadsrand zoals
Amsterdam ArenA. Het aantal bezoekers aan dagattracties de laatste jaren
sterk is gestegen. De sterkste stijging deed zich met name voor bij de
evenementen en attracties die nieuw en/of tijdelijke van aard zijn
(Uitmartkt, Museumn8, Megafestatie, Libelle Zomerweken etc.). Het aantal
van deze categorie belevenissen is tussen 1986 en 1997 toegenomen met maar
liefst 800%, terwijl het aantal bezoekers van deze belevenissen in deze
periode zelfs met 900% bleek te zijn gegroeid. Deze ontwikkelingen
hebben een grote impact op de inrichting, vormgeving en het karakter van
de G4. Daarbij kan worden gedacht aan de toenemende ruimteclaims,
bijvoorbeeld door de opkomst van genoemde vrijetijdscomplexen en urban
leisure centers. Maar ook het karakter van de G4 verandert. Symbolische
uitgangspunten zullen functionele uitgangspunten steeds meer verdringen en
de economie en cultuur van de vrije tijd wordt ook steeds bepalender voor
ontwikkelingen op andere terreinen.

Cultuur De hiervoor
geschetste behoefte aan ervaringen van de moderne consument heeft ook
invloed op gebieden buiten de vrijetijdsindustrie in de strikte zin van
het woord. Zo heeft de toegenomen concurrentie om de aandacht van de
consument die een “gegarandeerde beleveningsopbrengst” in zijn vrije tijd
eist, ertoe geleidt dat ook de kunst- en cultuursector steeds meer
evalueert naar een leverancier van belevenissen. Zeker gezien het feit dat
deze instellingen meer en meer zelf hun broek moeten ophouden, raken zij
steeds gevoeliger voor de wereld van themaparken, evenementen en culturele
marketing. Soms door zelf de belevingswaarde van hun aanbod te vergroten.
Zo bieden musea tegenwoordig middeleeuwse maaltijden, workshops,
cursussen, lessen, picknicks, wandeltochten en wat al niet meer zij. Soms
ook integreren zij in bredere vrijetijdsmilieus, waar zij dan zorgen voor
een aanvullende en onderscheidende belevingswaarde. Private en publieke
cultuur overlappen elkaar steeds meer. Meer in zijn algemeenheid wordt de
culturele infrastrucuur van de G4 steeds meer ingebed in de bredere
context van de grote stad als leverancier van belevenissen.
Globalisering en sociale
bewegingen Informatisering en globalisering gaan hand in hand.
De natiestaat staat daarmee op het internationale toneel, maar raakt
tegelijkertijd zijn (nationale) basis kwijt. Hierdoor komt de natiestaat
als institutie in gevaar, evenals de politieke democratie die daarop is
gebaseerd. Deze interactie tussen de door technologie voortgedreven
globalisering, de tussen internationalisering en lokalisering vastgeklemde
natiestaten en de krachtige lokale identiteitsvorming, vormt volgens
Castells een katalysator van nieuwe sociale bewegingen die uiteindelijk
een nieuwe politiek tot stand brengen. Maar de vraag is hoe deze strijd
wordt gestreden. Nieuwe macht ligt volgens Castells 'in the codes of
information and in the images of representation around which societies
organise their institutions, and people build their lives, and decide
their behaviour. The sites of this power are people's minds.'
Dit is geen aantrekkelijk vooruitzicht voor de
maatschappelijke elite. Als zelforganisatie belangrijker wordt, neemt hun
macht navenant af. Charles Lindblom omschrijft in dit verband het
verschijnsel ‘mutual adjustment’ dat hierbij opgeld doet, als volgt: in a
generally understood environment of moral rules, norms, conventions, and
mores, very large numbers of people can watch each other, then modify
their own behavior just enough to accommodate the differing purposes of
others but not so much that the mutual adjusters lost sight of where they
themselves want to go.’
De stad Dit proces
is in de stad duidelijk zichtbaar . Steve Austin zegt het aldus: Als
steden ergens door worden gekenmerkt dan is het door de autonome kracht
zich te ontdoen van verschijnselen die het leven in goede banen willen
leiden of ordening willen aanbrengen, die niet alleen het verkeer maar ook
het dagelijks leven meer beheersbaar willen maken. In die zin wordt
Berlijn langzaam maar zeker stad, is Amsterdam dat nog steeds, hoewel in
mindere mate dan Parijs of Moskou. De val van de Muur heeft Berlijn de
kans geboden van twee provincieplaatsen n stad te maken. De voortekenen
bedriegen niet: meer vuil op straat, meer criminaliteit, meer files en
meer ongecontroleerde commerciële activiteiten. Kortom: we zijn op de
goede weg. Nu de bewoners nog. Zouden de steden niet bij uitstek de
plaatsen moeten zijn waar de pluriforme samenleving in praktijk wordt
gebracht? Is er nog sprake van een stad wanneer deze etnisch of
ideologisch is gezuiverd? Steden zullen misschien wel de enige oorden
blijken te zijn waar samenleven mogelijk is, ondanks haat. Een nooit
eindigend experiment in coxistentie: voortdurende irritatie, genot,
weerzin en liefde oproepend bij haar bezoekers en inwoners, een ultieme
remedie tegen de verveling.

Er is natuurlijk meer: het individu. Eén die zijn
eigen keuzes maakt. Die daarin niet wordt benvloed door de appreciatie van
anderen. Een deelnemer aan het proces van beschaving, aan de civil society
zoals wij die zo graag tot stand zien komen. Wanneer op staatsniveau de
druk al te zeer wordt opgevoerd, zal het individu vroeg of laat in opstand
komen. Het is te danken aan de burgers van Boedapest en Praag dat nu
overal in Europa over burgerlijke vrijheden kan worden gesproken. De
vrijheid gedachten te uiten, samen te scholen, het met veel zaken niet
eens te zijn en protest aan te tekenen.
In de kunst is deze vrijheid in optima forma
aanwezig, artistieke vrijheid hoort bij de stad. De smeltkroes van
appreciaties zonder welke het discours niet denkbaar is. Het is overigens
de vraag of de kunst in een omgeving zonder discours kan overleven. Het
geheel krijgt al gauw iets gekunstelds, iets fossiels ook. Het is in dit
soort gevallen veel minder de kunst en veel meer het prestige of de
traditie die moet worden gediend. In dat licht gezien zou een beschouwing
over het steedse karakter van Salzburg of Avignon interessante
perspectieven kunnen bieden. Is het niet vreemd dat het meest prestigieuze
filmfestival in Europa zich in Cannes afspeelt? De ideale stad wordt
gekenmerkt door het vermogen alle denkbare vormen van menselijke
activiteit toe te laten zonder dat n van die vormen door haar aanwezigheid
andere vormen onmogelijk maakt. Dat vereist een voortdurend engagement van
al haar burgers die als het ware dagelijks met elkaar in informeel overleg
treden om de toestand van evenwicht te bespreken en te becommentariëren.
Daarvoor zijn naast koffiehuizen oorden van reflectie en creatie
noodzakelijk. De grotere en de kleinere musea, de theaters en
concertzalen, de kleinere en grotere gezelschappen, de ateliers en de
kunstenaars, de galeries en de straatartiesten, zij bevinden zich alle in
een voortdurend proces van ontwikkeling en afsterving. Zonder dood geen
leven. Zonder nieuwe ontwikkelingen verdwijnt het leven uit de
stad. Rem Koolhaas geeft zijn visie over de stad vanuit zijn professie:
stedenbouw is niet alleen 'onmogelijk' geworden, hij is helemaal niet meer
nodig, sterker nog, hij is helemaal niet wenselijk, hij compliceert.
Stedenbouw houdt op te bestaan. Door stad, stedenbouw en architectuur
gedeeltelijk als natuur te beschouwen, kunnen wij onze onschuld claimen.
Het enige dat we moeten doen om weer van de wereld te genieten, is de
amnestie voor het één overhevelen naar de ander. De stad als landschap
ondergaan; zij is ontstaan, niet gemaakt. De stad is een proces, geen
ontwerp. Ze is niet stabiel, maar een gebeuren. De stamboom van landschap
voert ongetwijfeld terug naar het paradijs, die van architectuur naar
zondeval. Ook Richard Florida vroeg zich af: How do you build a truly
creative community---one that can survive and prosper in this emerging
age? The key can no longer be found in the usual strategies. Recruiting
more companies won't do it; neither will trying to become the next Silicon
Valley. While it certainly remains important to have a solid business
climate, having an effective people climate is even more essential. By
this I mean a general strategy aimed at attracting and retaining
people---especially, but not limited to, creative people. This entails
remaining open to diversity and actively working to cultivate it, and
investing in the lifestyle amenities that people really want and use
often, as opposed to using financial incentives to attract companies,
build professional sports stadiums, or develop retail complexes.

The Creativity Index
The key to economic growth lies not just in the ability to
attract the creative class, but to translate that underlying advantage
into creative economic outcomes in the form of new ideas, new high-tech
businesses and regional growth. To better gauge these capabilities, I
developed a new measure called the Creativity Index (column 1). The
Creativity Index is a mix of four equally weighted factors: the creative
class share of the workforce (column 2 shows the percentage; column 3
ranks cities accordingly); high-tech industry, using the Milken
Institute's widely accepted Tech Pole Index, which I refer to as the
High-Tech Index (column 4); innovation, measured as patents per capita
(column 5); and diversity, measured by the Gay Index, a reasonable proxy
for an area's openness to different kinds of people and ideas (column 6).
This composite indicator is a better measure of a region's underlying
creative capabilities than the simple measure of the creative class,
because it reflects the joint effects of its concentration and of
innovative economic outcomes. The Creativity Index is thus the baseline
indicator of a region's overall standing in the creative economy and a
barometer of a region's longer run economic potential. The following
tables present the creativity index ranking for the top 10 and bottom 10
metropolitan areas, grouped into three size categories (large,
medium-sized and small cities/regions). Large Cities Creativity
Rankings

Rankings of US metro areas reporting populations
over 1 million in the 2000 Census
Top Ten Cities
| City |
|
%Creative Workers |
Creative Rank |
High-Tech Rank |
Innovation Rank |
Diversity Rank |
| 1. San Francisco |
1057 |
34,8 |
5 |
1 |
2 |
1 |
| 2. Austin |
1028 |
36,4 |
4 |
11 |
3 |
16 |
| 3. San Diego |
1015 |
32,1 |
15 |
12 |
7 |
3 |
| 4. Boston |
1015 |
38,0 |
3 |
2 |
6 |
22 |
| 5. Seattle |
1008 |
32,7 |
9 |
3 |
12 |
8 |
| 6. Chapel Hill |
996 |
38,2 |
2 |
14 |
4 |
28 |
| 7. Houston |
980 |
32,5 |
10 |
16 |
46 |
10 |
| 8. Washington |
964 |
38,4 |
1 |
5 |
30 |
12 |
| 9. New York |
962 |
32,3 |
12 |
13 |
24 |
14 |
| 10. Dallas |
960 |
30,2 |
23 |
6 |
17 |
9 |
| 10. Minneapolis |
960 |
33,9 |
7 |
21 |
5 |
29 |
Winnaars en
verliezers De toekomst van de stad ligt niet of nauwelijks in
handen van de overheid. De overheid is op terugtocht, alle pogingen tot
versterking van de kwaliteit van de overheidsdienstverlening ten spijt. De
toekomst is aan de burger die zelf inhoud geeft aan zijn stad. Richard
Florida wees daarbij op de rol van de creatieve elite, die in hoge mate
invloed heeft op de economische groei en daarmee op de creatie van
werkgelegenheid. Zij nemen het voortouw in de vernieuwing van de stad die
haar bewoners in staat moet stellen om commodities en experiences in te
kopen. Ook veel traditionele overheidsdiensten komen op de markt. Zo is er
sprake van een sterk groeiende veiligheidsmarkt. Er zijn in Nederland
50.000 politieambtenaren en 45.000 beveiligingsmedewerkers van commerciële
bedrijven. Ook prive-onderwijs, prive-gezondheidszorg en prive-cultuur
nemen in omvang toe. De winnaars zijn de bedrijven die deze markt weten
aan te boren en de kopers van deze diensten die daarmee beter worden
bediend. De verliezers zijn degenen die geen toegang hebben tot deze
diensten omdat hun inkomen ontoereikend is of omdat zij in het aangeboden
productenpakket hun eigen behoefte niet herkennen. Zij lopen risico’s die
henzelf ernstig kunnen schaden en daarmee indirect ook de samenleving
waarvan zij deel uitmaken.
2.4. Veranderende wereldeconomie
De ontwikkelingen op wereldschaal zijn
samengebracht in de State of the Future, een uitvloeisel van het
Millennium Project, een researchprogramma van de American Council for the
United Nations University. Deze organisatie, in 1997 opgericht, wordt
gefinancierd door een aantal bedrijven en door de Amerikaanse overheid. De
State of the Future Index (SOFI) geeft aan in welke mate de toestand
waarin de mensheid verkeert in de laatste decennia is veranderd en welke
veranderingen in de komende tien jaar mogen worden verwacht. Daarbij wordt
uitgegaan van twintig indicatoren van de kwaliteit van het leven.

VARIABLES INCLUDED IN THE SOFI
| Variable |
Historical Values |
Best Value |
Worst Value |
| |
1982 |
2002 |
2013 |
2013 |
| Infant Mortality Rate (deaths per 1,000
live births) |
86,7 |
52,4 |
36,0 |
50,0 |
| Food availability Calories/capita
Developing Countries |
2382 |
2740 |
3000 |
2775 |
| GDP per capita PPP (constant 1995 $US) |
4335 |
5675 |
6525 |
5700 |
| Percentage of Households with access to
safe water (15 Most Populated Countries) |
60,7 |
80,9 |
90,0 |
80,4 |
| CO2 atmospheric, ppm |
377,9 |
367,5 |
370,0 |
400,0 |
| Annual population additions (millions) |
80,6 |
73,9 |
60,0 |
72,0 |
| Percent unemployed (world) |
5,6 |
7,0 |
6,0 |
9,0 |
| Literacy rate, adult total (% of people
aged 15 and above) |
64,9 |
78,0 |
85,0 |
80,0 |
| Annual AIDS deaths (millions) |
0,00 |
3,10 |
2,0 |
5,0 |
| Life Expectancy (World) |
56,8 |
63,8 |
70,0 |
64,0 |
| Number of Armed Conflicts (at least 1000
deaths/year) |
31 |
25 |
15,0 |
30,0 |
| Debt/GNP; Developing Countries (%) |
24,7 |
42,9 |
35,0 |
50,0 |
| Forest Lands (Million Hectares) |
4087 |
3897 |
4000,0 |
3700,0 |
| Number of People Living on Less than $2
per day |
2295 |
2884 |
2400,0 |
3139,5 |
| Terrorist Attacks- deaths and injuries |
739 |
3361 |
1000,0 |
4000,0 |
| Violent Crime, 17 Countries (per 100,000
population) |
1151 |
1077 |
900,0 |
1175,5 |
| Percentage of World Population Living in
Countries that are Not Free |
41,7 |
35,0 |
25,0 |
35,0 |
| School Enrolment, secondary (% school
age) |
48 |
69 |
80,0 |
70,0 |
| Percentage of population with access to
local health care (15 most populated countries) |
70,5 |
97,6 |
99,0 |
95,0 |
| Number of countries thought to have or
attempting to qcquire nuclear weapons |
14 |
17 |
12,0 |
20,0 |
Verschillende factoren worden gewogen door een
mondiale groep van deskundigen. Zij geven de kansen aan met betrekking tot
de mate waarin bepaalde ontwikkelingen zich kunnen voordoen. Eén daarvan
is de ontwikkeling ten aanzien van terroristische aanslagen.
Worden alle twintig variabelen gewogen en
samengevoegd dan ontslaat de State of the Future die jaarlijks wordt
gepubliceerd. In de figuur is de Stee of the Future Index 2004 opgenomen.

De index roept de vraag op of een acceptabele
leefsituatie op aarde in het verschiet ligt. Het antwoord is overtuigend
negatief. Veelvuldig is aangetoond dat de productiemiddelen waarover de
aarde beschikt, niet zodanig zijn verdeeld dat bijvoorbeeld honger is
uitgebannen. De productiecapaciteit van de aardbodem is toereikend maar er
zijn grote politieke belemmeringen om de agrarische productie gewetensvol
te distribueren.
In 2004 vond in Denemarken een interessante
bijeenkomst plaats waar een panel van internationale experts, waaronder
enkele Nobelprijswinnaars, zich boog over de belangrijkste onderwerpen van
de mondiale agenda waarop de kansen op effectieve verbetering van de
situatie het grootst zijn. Zij stelden als antwoord op de vraag welke
activiteiten moeten er worden ondernomen als er $ 50 miljard beschikbaar
zou zijn voor verbetering van het welzijn op aarde, de volgende
prioriteitenlijst op:
| Rating |
Challenge |
Opportunity |
| Very Good |
|
|
| 1 |
Diseases |
Control of HIV/AIDS |
| 2 |
Malnutrition |
Providing micro nutrients |
| 3 |
Subsidies and Trade |
Trade liberalisation |
| |
|
|
| Good |
|
|
| 4 |
Diseases |
Control of malaria |
| 5 |
Malnutrition |
Development of new agricultural
technologies |
| 6 |
Sanitation & Water |
Small-scale water technology for
livelihoods |
| 7 |
Sanitation & Water |
Community-managed water supply and
sanitation |
| 8 |
Sanitation & Water |
Research on water productivity in food
production |
| 9 |
Government |
Lowering the cost of starting a new
business |
| |
|
|
| Fair |
|
|
| 10 |
Migration |
Lowering barriers to migration for
skilled workers |
| 11 |
Malnutrition |
Improving infant and child
nutrition |
| 12 |
Malnutrition |
Reducing the prevalence of low birth
weight |
| |
|
|
| Bad |
|
|
| 13 |
Diseases |
Scaled-up basic health services |
| 14 |
Migration |
Guest worker programmes for the
unskilled |
| 15 |
Climate |
Optimal carbon tax |
| 16 |
Climate |
The Kyoto Protocol |
| 17 |
Climate |
Value -at-risk carbon
tax |
Tegenover dit denken staan de aanhangers van de
zogenoemde Washington Consensus. De Washington Consensus bestaat in
strikte zin uit een tiental regels die samen de basis vormen voor een goed
economisch beleid in (vooral) zich ontwikkelende economieën. De regels
hebben een neoliberale inslag. Zo behoren fiscale discipline,
privatisering en het opheffen van handelsbarrières tot het pakket van
maatregelen dat de Consensus voorstelt. De gedachte achter de Washington
Consensus is, dat een vrije markteconomie uiteindelijk de ontwikkeling van
landen, ook op andere terreinen dan de economie, ten goede komt.
Met de opkomst van het anti-globalisme, einde
jaren tachtig, krijgt de weerstand tegen de Washington Consensus die in de
zich ontwikkelende landen al langer hoorbaar was, een wereldwijde stem. In
verschillende kringen worden de ontwikkelingsregels uit de consensus ter
discussie gesteld. De weerstand geldt niet zozeer de regels zelf, maar de
onbuigzame wijze waarop ze van toepassing werden geacht op zeer
verschillende situaties. Dat de regels in verschillende landen, waaronder
Brazilië, tot zeer ongunstige (bij)effecten hebben geleid, heeft de
positie van de Washington Consensus uiteraard niet sterker gemaakt. Een
opvallende criticaster is Joseph Stiglitz, die in 2001 de Nobelprijs voor
economie kreeg. Het zwaartepunt van zijn kritiek ligt bij het IMF dat
sinds het begin van de jaren tachtig propageert het met ideologisch vuur
dat markten superieur zijn en 'per definitie' perfect werken. Daarbij
wegen commerciële belangen zwaarder dan de zorgen voor milieu, democratie,
mensenrechten en sociale rechtvaardigheid. Het IMF opereert als een
verlengstuk van de economische en financiële belangen van de VS. Stiglitz
merkt daarbij op dat een eerlijke verdeling van de vruchten over alle
landen alleen mogelijk is als alle landen inspraak krijgen in het beleid
waarvan ze de gevolgen ondervinden.

Winnaars en verliezers
Ook nu mag de vraag worden gesteld wie de winnaar en wie de
verliezer is. De derde wereld bevolking die deels geen aandeel heeft in de
mondiale welvaartstoename mag als verliezer worden aangemerkt. Ook de
aanhangers van de Washington Consensus kunnen zichzelf niet als winnaar
bestempelen. Daarvoor is de mondiale kritiek te omvangrijk. Met de
ervaringen van de Irak-oorlog moet voor erger worden gevreesd. Nieuwe
technologie komt ook in handen van terroristen. Niet langer domineert de
dreiging die van natiestaten uitgaat, met landen als Noord-Korea als
uitzondering, maar de dreiging van groepen die geen geformaliseerde macht
vertegenwoordigen. De macht van deze groepen is zo groot omdat de middelen
waarover zij kunnen beschikken hen in staat stellen om grootschalige
terreur uit te oefenen. Zo is de dreiging met bijvoorbeeld antrax
nauwelijks te voorkomen. Daarenboven is het aannemelijk dat genetische
technologie voor commerciële toepassingen ook gebruikt kan worden om
planten, dieren en mensen te doden. De angst is vooral ingegeven door de
wetenschap dat de hiervoor benodigde grondstoffen gemakkelijk zijn te
verkrijgen. Een laboratorium kan worden ingericht met instrumenten die
niet meer dan $ 10.000 kosten. Duizenden studenten over de gehele wereld
hebben met de betreffende instrumenten en materialen gewerkt. Ook is er
angst dat als bepaalde virussen voor terreuraanslagen worden gebruikt,
deze niet meer uit het milieu verdwijnen. Voorts is er toenemende
aandacht voor recombinant DNA designer weapons die selectief kunnen worden
gebruikt. Zo kunnen er wapens worden ontwikkeld die alleen bepaalde
etnische groepen treffen of die bepaalde menselijke functies als stemming
en gedrag beïnvloeden. Het is dan ook niet verrassend dat de angst voor
biologische wapens groot is.
Dat er sprake is van een zorgwekkende situatie
blijkt ook uit de analyses van het Millenniumproject. In de laatste
uitgave van de State of the Future wordt opgemerkt: There are a few
developments that can make things considerably worse. Primary among
these is development: “Weapons of mass destruction used by terrorists to
kill over 100,000 people” The panel’s judgments led to the following
assumptions about this item:
- Probability by 2013: 51.33%
- Impact on the variable: “Terrorist Attacks, number of
people killed or wounded:” 15.2%
- Time for the impact to be realized: 7 years
Imagine a worst-case scenario. In a scenario
created by the Millennium Project last year in the Science and Technology
Management study, a single individual, a self-proclaimed “Agent of God”,
developed a lethal variant of the Congo virus and in an insane act killed
25 million people over a three-month period. We named this type of
terrorism SIMAD: single individual massively destructive. Suppose that
development 15.2 were changed to describe this act, but with “only”
100,000 casualties as the item indeed calls for. Then its parameters might
be:
- Probability by 2013: 51.33%
- Impact on the variable: “Terrorist Attacks, number of
people killed or wounded:” 1,250% (the baseline for number of killed and
wounded casualties in 2013 is about 8,000)
- Time for the impact to be realized: 0.25 years
 In that case the TIA forecast of terrorism casualties
would be:
And the SOFI would be:
Wie zijn in dat geval de winnaars?
 3. Turning point 2001
De veranderingen in de samenleving die in het
vorige hoofdstuk zijn beschreven, zijn voor een deel veroorzaakt door de
technologische revolutie die thans plaatsvindt. Hierdoor is de stijging
van de welvaart mogelijk geweest die heeft plaatsgevonden, maar die
overigens aan grote delen van de wereldbevolking voorbij is gegaan.
Behalve economische ontwikkelingen heeft de technologie ook de
communicatie tussen mensen gestimuleerd waarbij een begrip als ‘
cyberspace’ zijn intrede deed. Verschillende institutionele verbanden zijn
toe aan een herijking.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de
technologische ontwikkelingen zelf. Er wordt gezocht naar wetmatigheden
die al enkele decennia zichtbaar zijn en op de markten die het sterkst
onder invloed van de technologie komen. Ten slotte wordt stilgestaan bij
het maatschappelijk debat over nieuwe technologie dat noodzakelijk is om
de relatie tussen economie en technologie zodanig vorm te geven dat de
samenleving de vruchten van de technologische revolutie plukt.
 3.1 Installation-period
Wetmatigheden
De trendmatige ontwikkeling in de chipcapaciteit is een fenomeen op
zichzelf. De chip die in 1971 de big bang van de huidige technologische
revolutie veroorzaakte, was in 1975 voor Gordon E. Moore, oprichter van
Intel, aanleiding om te voorspellen dat de capaciteit van de chip tegen
gelijkblijvende kosten exponentieel zou toenemen. In de Wet van Moore, die
sindsdien onverminderd van kracht is geweest, wordt gesteld dat de
capaciteit van de chip iedere 18 maanden verdubbelt tegen gelijkblijvende
kosten. Ook nu nog liggen de volgende generaties chips die voldoen aan
deze eis op de tekentafel. Voorzien is dat rond 2007 de grens van de
huidige op silicium gebaseerde technologie is bereikt, maar neurochips
staan al voor de deur. Zelfs de komst van DNA-computers is aangekondigd,
evenals de quantumcomputers waarmee rond 2020 de situatie wordt bereikt
die met het begrip singulariteit wordt aangeduid. Tegen dat jaar is de
verwachting dat chips namelijk krachtig zijn als de menselijke hersenen.
Op 14 juli jl. liet Intel Corporation weten dat de zogenoemde
billion-transistor chip niet in 2007 op de markt zal komen, zoals was
voorzien, maar reeds in 2005 beschikbaar zal zijn. De gigabit chip, met
meer dan een miljard transistoren, is reeds op laboratoriumniveau
uitgetest.


De betekenis van deze nauwelijks te stuiten
ontwikkelingen is nauwelijks te bevatten. Kurzweil geeft dit als volgt
aan: The intelligence of machines - nonbiological entities - will exceed
human intelligence early in this century. By intelligence, I include all
the diverse and subtle ways in which humans are intelligent – including
musical and artistic aptitude, creativity, physically moving through the
world, and even responding to emotion. By 2019, a $1,000 computer will
match the processing power of the human brain - about 20 million billion
calculations per second. This level of processing power is a necessary but
not sufficient condition for achieving human-level intelligence in a
machine. Organizing these resources - the ‘software’ of intelligence -will
take us to 2029, by which time your average personal computer will be
equivalent to a thousand human brains. Once a computer achieves a level of
intelligence comparable to human intelligence, it will necessarily soar
past it. Tegen deze achtergrond worden beelden gegenereerd waarin
computers en robots hun eigen wereld creëren. De mens-machine equivalentie
leidt tot nieuwe vormen van zelforganisatie. Er ontstaan structuren die
zelf zoeken naar mogelijkheden om te overleven en te communiceren. Deze
systemen zullen zich ook menselijke kennis eigen maken. De wereld die dan
ontstaat, is de wereld van de science fiction. Maar deze wereld komt wel
dichtbij. Ian Pearson, onderzoeker bij British Telecom, werkt aan het
OB1-project dat beoogt een systeem te bouwen dat 50 maal het aantal
neuronen omvat als de menselijke hersenen. Deze neuronen zijn veel sneller
en maken veel meer verbindingen dan de hersencel. Daarmee wordt het doel
bereikt: de bouw van OB1 synthetic consciousness. Het project moet in 2015
gereed zijn. De technologie die wordt gebruikt is reeds bekend en het
eerste prototype zal zonder veel kosten worden gemaakt. Het is deze
applicatie die hem overigens bezorgd maakt voor de toepassing van de
welhaast onbegrensde mogelijkheden ervan. Voor de technofielen is er ook
het vooruitzicht dat de robotica een hoge vlucht neemt. Hoewel de eerste
voetbalwedstrijd van robots tegen de winnaars van de Champions League pas
in 2050 wordt verwacht, deden in juni/juli 2004 niet minder dan 1600
deelnemers uit 37 landen mee aan wedstrijden tussen voetballende robots
die zichzelf aanstuurden. RoboCup2004, the 8th Global Football
Championships for Robots, had niet eerder zoveel deelnemers getrokken.
De ontwikkelingen in de bio- en nanotechnologie
zijn al even imponerend. Richard Oliver, een technofiel pur sang,
formuleerde een drietal wetten, waarbij zijn aandacht vooral naar de
economische aspecten uitgaat:
De eerste wet van de bioeconomie: In 2025
verdubbelt elke dag de hoeveelheid biotechnologische kennis. In
de jaren zeventig verdubbelde de biotechnologische kennis in het
bedrijfsleven in een periode van acht jaar. In 1997 was deze periode al
minder dan 4 jaar. De komende jaren zal deze periode tot één jaar worden
gereduceerd en in 2025 zal elke dag de hoeveelheid kennis verdubbelen.
Deze wet sluit aan bij de ontwikkeling van de DNA-chip. Tussen 1988 en
1995 verdubbelde elke vijftien maanden het aantal geanalyseerde basen per
uur.
De tweede wet van de bioeconomie:
Toepassingsdomein van biomaterialen is omgekeerd evenredig met de
subatomaine schaal ervan. Het toepassingsgebied van biomaterialen
dijt voortdurend uit. Waar van verschillende innovaties in het verleden de
toepassing zich nog niet of nauwelijks aandiende, wordt er nu van
uitgegaan dat biotechnologie van invloed is op een gebied dat een derde
van de Amerikaanse economie omvat.
De derde wet van de bioeconomie: Groeivoet
neemt exponentieel toe. De agrarische tijd duurde van 7000 voor
Christus tot ongeveer 1750. De industriële tijd duurde 200 jaar, het
informatietijdperk 50-60 jaar. Het komende biotijdperk zal niet meer dan
15-30 jaar zijn. De groei van het Bruto Nationaal Product per hoofd van de
bevolking nam in de agrarische tijd toe tot $ 120 per jaar (1990 dollars).
In de industriële tijd volgde een toename tot $ 1622 per jaar, in het
informatietijdperk tot $ 6539. Analoog wordt ook nu weer een sterke
toename verwacht voor de mensen die van deze economie deel uitmaken.
 De levenscyclus van de technologische
revolutie Op basis van onderzoek naar technologische
ontwikkelingen die zich sedert het begin van de Industriële revolutie
hebben voorgedaan, beschrijft Carlota Perez de levenscyclus van de
‘normale’ technologische revolutie. Zij onderscheidt daarin de volgende
perioden en fasen van ontwikkeling. Zoals we reeds zagen begint de
revolutie met de big bang die de zogenoemde irruption fase inluidt. Deze
fase biedt voor bedrijven mogelijkheden om nieuwe technologie
kostencompetitief te adopteren. Als dat succes heeft, treedt de frenzy
fase aan. In die fase ontstaan er onrealistisch hoge verwachtingen. Er is
sprake van technologische euforie en financiële speculatie waardoor er op
de aandelenmarkten een bubble optreedt. Ondanks alle turbulentie wint het
nieuwe techno-economisch paradigma de strijd met het oude. Er treedt
polarisatie op tussen nieuwe en volwassen industrieën, moderne en
verouderde bedrijven, nieuwe en oude regio’s, mensen met oude en met
nieuwe vaardigheden. Op internationaal gebied is er sprake van polarisatie
tussen landen die veel gebruik maken van nieuwe technologie en zij die
daarin achterblijven. Deze ontwikkeling heeft ook zijn neerslag op de
inkomensverdeling. De rijken worden rijker, de armen armer. Deze
ongelijkmatige verdeling leidt tot veel protest. Als de bubble vervolgens
uiteenspat, kan er een recessie of zelfs een depressie volgen waarbinnen
de financiële markt tot rust komt. Deze fase wordt het turning point
genoemd. In deze periode worden institutionele herstructureringen
doorgevoerd. Hierna begint de deployment periode waarin de maatschappij
zich aan het nieuwe techno-economisch paradigma aanpast en het potentieel
van de technologische revolutie tot wasdom komt. De eerste fase van deze
nieuwe periode wordt de synergy fase genoemd, waarin de technologische
mogelijkheden en het institutionele raamwerk zo goed mogelijk op elkaar
worden afgestemd. De deployment periode eindigt met de maturity fase
waarin de kracht van de nieuwe technologie afneemt en de wereld in
afwachting is van de volgende big bang.

Volgens Perez bevinden wij ons nu op of net
voorbij het turning point van de huidige technologische revolutie. Zij
concludeert dat de beslissingen die nu worden genomen, bepalen hoe lang en
hoe diep de recessie zal zijn en of we te maken krijgen met een ware
golden age. Ook volgens de Amerikaanse trendwatcher Peter Schwartz,
directievoorzitter van het prestigieuze Global Business Network zijn er
redenen om te geloven in the return of the long boom. In zijn recente boek
baseert hij deze visie op de voortgaande productiviteitsstijging, de
groeiende migratiestromen en de toenemende efficiency van de elektronische
infrastructuur. Wat dit laatste betreft is de doorbraak van breedband en
de opkomst van triple players (aanbieders van telefoon, televisie en
internet), ondanks de slechte financiële staat van de belangrijkste
bedrijven op dit terrein, opmerkelijk.
 3.2 Deployment-period
De economische groei die in de schoot van de
technologische revolutie verborgen ligt, moet worden gerealiseerd in de
voor afnemers belangrijke sectoren. Is dit daadwerkelijk het geval dan
doet zich de deployment van technologische kennis voor zoals die door
Perez is beschreven. In het onderstaande zijn enkele sectoren belicht,
waarbij op opmerkelijke ontwikkelingen wordt gewezen.
Voeding en
agro-sector In de voedingssector verwacht Kurzweil dat rond 2049
de productie van nano-voeding een feit zal zijn. Deze voeding, die
dezelfde smaak en samenstelling heeft als organisch voedsel, is dan
goedkoop en volop aanwezig. Al eerder krijgen we te maken met zogenoemd
functional food waarmee consumenten voeding tot zich nemen die beter
aansluit bij de medische eisen die zij aan voeding stellen. Ook wordt
gewerkt aan food delivery systems om smaakstoffen op het juiste moment
(tijdens het eten) te laten vrijkomen en aan lab-on-a-chip-technologie om
de voedselveiligheid in het productieproces te bewaken. Veel wordt
verwacht van genetisch gemodificeerd (GM) voedsel. De strijd om de
wettelijke acceptatie wordt weliswaar nog volop geleverd, maar het heeft
er alle schijn van, dat het hier om een achterhoede gevecht gaat. De
consument heeft in de huidige tijd kritiek, mede omdat hem de voordelen
niet duidelijk zijn. Zijn kritiek richt zich onder meer op de toename van
de macht van sommige producenten, zoals bij het verzet tegen
gemodificeerde sojabonen van Monsato bleek. Als GM-producten duidelijke
voordelen krijgen boven niet-GM-producten en er zich geen calamiteiten bij
de productie voordoen, zal het verzet gaandeweg zwakker worden. Nu reeds
is in de Verenigde Staten 70% van de katoen en soja en 35% van alle granen
Genetisch gemodificeerd. In Israël, Turkije en de VS wordt
geëxperimenteerd met katoen die in kleur groeit, waarmee natuurlijk
gekleurde kleding op de markt zal komen. In de agro-industrie wordt de
tweede groene revolutie verwacht. Daarbij zullen de prijzen van
landbouwproducten eerder dalen dan stijgen.

Energie Op
energiegebied gaat de aandacht veelvuldig uit naar de
waterstoftechnologie. Uit vele scenario’s mag worden opgemaakt dat
fossiele brandstoffen weliswaar vooralsnog niet uitgeput raken, maar dat
de winning ervan steeds problematischer en in ieder geval duurder wordt.
De olievoorraden op gemakkelijk te exploiteren olievelden zijn
langzamerhand verdwenen waardoor de olie-industrie steeds meer is
aangewezen op oliebronnen die moeilijker worden ontdekt en doorgaans op
grotere diepte zitten. De belangstelling voor waterstof wordt ook
gevoed door de discussie over de invloed van CO2-uitstoot op het klimaat.
Waterstof, indien geproduceerd met duurzame energie, is in dit verband een
uiterst aantrekkelijk alternatief, zij het dat onlangs de mogelijkheid
werd geopperd dat vrijkomende waterstof schade kan aanbrengen aan de
stratosfeer die vergelijkbaar is van de schade van drijfgassen voor de
ozonlaag. . Sedert de laatste decennia wordt op verschillende plaatsen aan
de ontwikkeling van met name brandstofcellen gewerkt. Eén van de meest
vooruitstrevende landen op dit gebied is IJsland dat in februari 1999 een
plan publiceerde om binnen 20 jaar de eerste waterstofeconomie van de
wereld te worden. Ook de Amerikaanse staat Hawaï onderneemt pogingen om
meer waterstof te produceren dan zij voor eigen gebruik nodig heeft en wil
zodoende een waterstofexporterende regio worden. Binnen de auto-industrie
heeft General Motors de pioniersrol op zich genomen en geeft als mening
our long-term vision is of a hydrogen economy. Inmiddels experimenteren
acht autofabrikanten met waterstofauto’s. Kansrijk is ook de toepassing
van waterstofcellen in woningen. Stationaire systemen hebben grote
voordelen, met name in deze fase van de ontwikkeling. Maar voor dat
het zover is moeten nog vele problemen worden opgelost. Eén van de
problemen betreft het toepassen van duurzame energie die nodig is om
waterstof te produceren. De meest aantrekkelijke energiebron is de zon
waarbij de ontwikkeling van foto-voltaïsche cellen centraal staat. Deze
cellen zijn nog steeds niet concurrerend hoewel de kosten ervan sinds 1970
met 95% zijn gedaald. De flexibele zonnepanelen, die op de markt zijn
gekomen betekenen weer een stap voorwaarts. Ook deze panelen kunnen met
nano-gestructureerde materialen worden behandeld, waardoor ze een veel
grotere capaciteit krijgen. Verschillende scenario’s laten zien dat de
kostendaling voortgaat waardoor zonne-energie rond 2010 kan concurreren
met elektriciteit die met behulp van traditionele methoden is opgewekt.
Lovins geeft aan dat de concurrentiekracht van zonne-energie niet
uitsluitend in de kosten van kilowatt-uur moet worden uitgedrukt, maar ook
in het geringe financiële risico, geringe distributiekosten en de snelle
beschikbaarheid van de energie. De toepassing van foto-voltaïsche cellen
groeit jaarlijks met 26-42%, bij ieder verdubbeling van de productie neemt
de kostprijs met 20% af. Windenergie, die nu nog 3 dollarcent per
kilowatt-uur kost, groeit met 30% en voegde de laatste jaren 5 gigawatt
per jaar toe aan de mondiale energieproductie. Ter vergelijking: in de
jaren ’90 van de vorige eeuw is door kerncentrales slechts 3 gigawatt per
jaar gerealiseerd. Terwijl fossiele energie steeds duurder wordt omdat
de exploratie steeds lastiger wordt, nemen de kosten van duurzame energie
voortdurend af. Vandaar dat in lange termijn scenario’s de opkomst van
duurzame energie leidt tot goedkope en overal beschikbare energiebronnen.
Er wordt zelfs gedacht aan vliegende auto’s die op brandstofcellen en met
quantum-computerbesturing een einde zullen maken aan de congestie in
drukbevolkte gebieden. Belangrijker is het ontwikkelen van kleinschalige
energienetwerken waardoor met name in ontwikkelingslanden de
levensstandaard sterk wordt bevorderd. Nog steeds heeft een derde van de
wereldbevolking geen toegang tot elektriciteit of enig andere vorm van
commerciële energie. Toegang tot energie wordt immers gezien als één van
de belangrijkste middelen om de armoede in de wereld te bestrijden.

Gezondheidszorg In
de gezondheidszorg worden belangrijke toepassingen van stamceltechnologie
voorzien, onder andere ter vervanging van hartspiercellen die niet meer
functioneren. Ook wordt naarstig gezocht naar mogelijkheden om nieuwe
zenuwcellen voor Parkinson- en Alzheimerpatiënten en voor mensen met een
dwarslaesie te ontwikkelen, alsmede nieuwe huid aan te maken voor
brandwondenpatiënten. Het vooruitzicht dat menselijke weefsels en zelfs
organen kunnen worden vervangen door deze vanuit stamcellen uit het
lichaam zelf te laten groeien, spreekt sterk tot de verbeelding. Het
vinden van deze omnipotente stamcel wordt wel het zoeken naar de holy
grail van de biologie genoemd. Sommigen verwachten dat hiervan een
fundamentele verandering op de chirurgie uitgaat. Ontwikkelingen die
eveneens veelbelovend zijn, betreffen het vervangen van zintuigen zoals de
lichtgevoelige weefsels in het oog en de trilhaartjes in het oor door
microelectronic mechanical systems (MEMS). Hierdoor vindt integratie
plaats tussen zenuwcellen in het menselijk lichaam en geavanceerde
micro-elektronica. Ook hier zijn toepassingen voor dwarslaesiepatiënten in
ontwikkeling. Voorts kunnen met behulp van een geïmplanteerde chip
medicijnen naar behoefte worden toegediend (zgn. smart pills). Met het
voltooien van het Humane Genoom Project is een mijlpaal bereikt die wel
wordt vergeleken met de landing van de eerste mens op de maan. Mensen
blijken niet meer dan 30.000 genen te hebben die in genetisch opzicht voor
99,9 % aan elkaar gelijk zijn. Daarmee ligt de weg open voor een veelheid
van toepassingen om ziekten beter te identificeren en te behandelen. Een
jaar na het gereed komen van het Humane Genoom Project nam het aantal
onderzoeken naar genen die op ziekten en de werking van medicijnen van
invloed zijn, reeds toe van 500 naar 10.000. De komende tijd zullen er
steeds meer geavanceerde testen beschikbaar komen, zogenaamde DNA-chips,
die behulpzaam zijn bij het voorspellen van de reactie van patiënten op
medicijnen en behandelingen. Hierdoor zullen steeds meer medische
verrichtingen ‘op maat’ kunnen plaatsvinden. Op al deze terreinen is
veel vraag en er zijn belangrijke maatschappelijke krachten die zich
hiervoor hard maken. De nieuwe mogelijkheden die zich voor de
gezondheidszorg aandienen, spreken tot de verbeelding en vormen dan ook
een belangrijke motor achter de ontwikkeling van de biotechnologie.
Cultuur, entertainment en
genotmiddelen Deze sector zal sterk groeien. Zoals we reeds
opmerkten, bevinden zich veel van deze producten op een hoog niveau in de
piramide van Maslow, waarbij de rol van de robots en van geautomatiseerde
systemen in het beste geval slechts ondersteunend is. Hier gaat de
economische wet van de toenemende meeropbrengst het meest nadrukkelijk op
(zie hoofdstuk 4.2). Toch denkt Mulhall dat de Hollywood-artiesten en de
video game makers niet meer de best betaalde mensen zullen zijn. De
relatie tussen artiesten en computers zal een haat-liefde relatie worden.
Hun creaties zullen zo snel door de markt worden opgenomen dat zij hun
inkomsten in de eerste dagen na uitkomen moeten verwerven, zoals nu reeds
bij films het geval is. De markt van genotmiddelen is eveneens
kansrijk. Ondanks veel maatschappelijk verzet wordt de komst van designer
drugs verwacht voor recreatief gebruik. Begonnen met LSD in de jaren
zestig van de vorige eeuw, gevolgd door vele andere, vaak synthetische
drugs zoals xtc, zullen er nanodrugs op de markt komen. Als deze op
eenvoudige wijze synthetisch kunnen worden geproduceerd zal de
afhankelijkheid van landen die de teelt van cocaïne, heroïne en opium
verzorgen, verdwijnen.

Omgaan met
innovaties In de komende jaren zullen op belangrijke terreinen
van de economie de in gang gezette innovaties leiden tot sterke
prijsdalingen voor commodities. Dat geldt met name voor landbouwgewassen,
industriële producten en op enige termijn ook voor energie. Alleen in die
gevallen waar de goederen en diensten worden getransformeerd in producten
die tot het domein van de experiences van de afnemers mogen worden
gerekend worden veel hogere prijzen berekend en zijn de marges navenant.
Deze ontwikkelingen zorgen op veel terreinen voor een ware metamorfose,
die sterk doet denken aan de gevolgen van eerdere technologische
revoluties. Ook toen daalden na enige jaren de prijzen in de verschillende
sectoren sterk.
 3.3 Institutional recomposition
Doorbraakcondities Volgens futuroloog en
strategisch adviseur Peter Schwartz voldoet het huidige tijdvak aan
diverse voorwaarden die belangrijke doorbraken in wetenschap en
technologie mogelijk maken. Schwartz vergelijkt ons tijdvak met het begin
van de 17e eeuw, de tijd van Copernicus, Kepler en Galilei, en met het
begin van de 20e eeuw, de tijd van Edison, Marconi, Einstein, Planck en
Bohr. De omstandigheden van toen zijn in allerlei opzichten vergelijkbaar
met de huidige situatie:
- Nieuwe inzichten zetten vraagtekens bij bestaande
wetenschappelijke inzichten. Galilei stelde de vorm van de aarde ter
discussie, Einstein en Bohr de wetten van Newton. In 2000 ontdekte een
groep astrologen dat het heelal steeds groter wordt en zelfs met
toenemende snelheid expandeert. Deze vinding gaat in tegen de wet van de
zwaartekracht en houdt sindsdien chemici, natuurkundigen en biologen in
zijn greep. Het heeft ertoe geleid dat aan sommige neutronen massa wordt
toegedicht, wat ingaat tegen de geldende theorie over atomen.
- Nieuwe instrumenten doen waarnemingen die voorheen
onmogelijk waren. Kepler en Galilei gebruikten de telescoop voor hun
ontdekkingen, de deeltjesversneller maakte in de tweede helft van de
vorige eeuw de ‘nieuwe natuurkunde’ mogelijk. Nu zijn het de
ruimtetelescopen die onder andere gammastralen meten. Er zijn camera’s
die chemische processen met een snelheid van 10-15 seconde vastleggen.
Hierdoor wordt het mogelijk om chemische reacties op atoomniveau te
beïnvloeden.
- Er zijn nieuwe mogelijkheden om snel en effectief met
andere wetenschappers te communiceren. In de 17e eeuw was dat het boek,
en in het begin van de vorige eeuw waren dat de telefoon, de telegraaf
en nieuwe druktechnieken. Nu is het internet het communicatiekanaal bij
uitstek.
- Nieuwe politieke en economische omstandigheden stimuleren
wetenschap en technologie. In de 17e eeuw financierde de Italiaanse adel
de wetenschap. In de vorige eeuw waren investeerders en overheden de
belangrijkste financiers. Nu is de VS de grote stimulator. Alleen al de
federale regering geeft $75 miljard per jaar uit aan R&D. Defensie
en gezondheid voeren de boventoon. Dit voorbeeld wordt nagevolgd in
andere landen, zoals in China.

Cynici, technofielen en
technofoben De vooruitzichten die inde vorige paragraaf zijn
opgenomen, kennen niet of nauwelijks grenzen. Maar ondanks de vele
kansrijke toepassingen die in het verschiet liggen, is er aarzeling in de
politieke en economische waardering er van. Er is sprake van cynisme rond
technologische ontwikkelingen, aangewakkerd door het aflopen van de
financiële hype en de onduidelijke afloop van het maatschappelijke debat
over de acceptatie van de verschillende toepassingen die zich aandienen.
Zeker is dat op de effectenbeurs de bubble tot
het verleden behoort. Die euforie is voorbij. Het begrip nieuwe economie
is sterk gekoppeld aan de hype op de effectenbeurs in de periode 1999-2001
die velen heeft aangespoord om te delen in de vermeerde toekomstige
vermogenswinsten van het aandelenbezit. De koersdaling die daarop volgde,
heeft velen tot de overtuiging gebracht dat er niets nieuws onder de zon
is. Toekomstbeelden van technologische applicaties, die eens tot de
verbeelding spraken, worden ineens als onrealistisch afgedaan. Columbus,
Galileo, Darwin en Freud overkwamen in hun dagen hetzelfde. Er zijn immers
veel niet uitgekomen verwachtingen van hooggespannen maar slechts
vermeende doorbraakinnovaties. Van echte nieuwe vindingen blijkt veelal
later pas de enorme betekenis. Soms weten de uitvinders zelf niet waarmee
ze bezig zijn. Een voorbeeld is Alexander Graham Bell die na de uitvinding
van de telefoon als belangrijkste gebruik er van voorzag: voortaan kunnen
we mensen bellen om hen te zeggen dat er een telegram is aangekomen.
Susan Greenfield merkt op dat er in het technologiedebat veel cynici
zijn die de huidige technologische ontwikkelingen in zijn betekenis voor
bedrijf en maatschappij negeren of ontkennen. Daarnaast onderscheidt zij
‘technofielen’, dat zijn mensen die niet nalaten brede vergezichten en
baanbrekende metamorfoses in het dagelijks leven te voorspellen. Een
exponent daarvan is Ray Kurzweil die – zoals eerder is opgemerkt - voor
2019 voorspelt dat de computer in kracht het menselijk brein achter zich
laat. In 2029 zullen weinigen meer werken in de industrie, de agrarische
sector en het transport; de meeste mensen op aarde hebben voldoende om in
hun primaire levensbehoeften te voorzien. Ian Pearson kijkt op zijn manier
vooruit en acht de collectieve, autonome kracht van de computerchip
zodanig groot dat het menselijk leven rond 2085 tot stilstand komt .
Daarmee ontpopt hij zich als ‘technofoob’, die zich kenmerkt door
doemdenken over technologische ontwikkelingen. Het zijn niet de minste
onder de wetenschappers die zich tot deze groep rekenen. In 2003 was het
meest gelezen boek in de wereld van de futurologie de studie van Martin
Rees, die onder de titel ‘Our final century’ is gepubliceerd . Zijn
conclusie is dat de kans dat onze beschaving het einde van de huidige eeuw
haalt, niet groter is dan 50%. Kortom, de technologie van de 21e eeuw kan,
al dan niet per ongeluk, het leven ernstig bedreigen en er een vroegtijdig
einde aan maken. Het zijn niet de minsten die wijzen op de gevaren van
revolutionaire technische ontwikkelingen. Bill Joy, mede-oprichter en
hoofd van de wetenschappelijke tak van Sun Microsystems, schreef in 2001
in Wired het opzienbarende artikel ‘Why the Future doesn’t need us’.
Daarin voorspelt hij dat onze generatie wel eens de laatste zou kunnen
zijn. Als er niets verandert, zal zij met de nieuw verworven kennis
massavernietiging teweegbrengen. Joy spreekt in dit verband van ‘knowledge
enabled mass destruction’. De twintigste eeuw bracht vergaande
ontwikkelingen op nucleair, biologisch en chemisch gebied, die gemeen
hadden dat er zeldzame grondstoffen en omvangrijke installaties nodig
waren om een productieproces in gang te zetten. De 21e eeuw is de eeuw van
de genetica, de nanotechnologie en de robotica. Deze disciplines gebruiken
gemakkelijk verkrijgbare grondstoffen, en de productie is nauwelijks
plaatsgebonden, wat een risico inhoudt. Ook technologieën die producten
maken die zichzelf vermenigvuldigen - en daardoor tot onbeheersbare
processen leiden - vormen een bedreiging. Joy wijst er verder op dat er
aanzienlijk gevaar schuilt in het gedrag van grote ondernemingen die over
‘risicovolle’ kennis beschikken, en die zich in het krachtenveld van
sterke financiële prikkels en concurrentie staande moeten houden.

Anderen, zoals de Amerikaanse econoom en
maatschappijcriticus Jeremy Rifkin, wijzen op de ontheiliging van het
leven als levende organismen tot informatiesystemen verworden. Volgens
sommigen is er echter niets aan de hand. Zij wijzen op de hartchirurg
Barnard die in 1991 de eerste harttransplantatie uitvoerde. Barnard merkte
eens op: “aan een menselijk hart zie ik niets mysterieus, het is een
primitieve bloedpomp”. Toch vragen mensen zich af of zij wel in staat
mogen zijn om invloed uit te oefenen op de kwaliteit van het menselijk
ras, in al zijn aspecten. Het zelf instellen van ‘de achtste dag van de
schepping’ is voor velen een brug te ver, ondanks de voorgehouden weldaden
van deze technologie. De mensheid is een tijdperk ingegaan waarin hij
plaatsneemt ‘op de troon van God’. De strijd tussen de genetische ‘have’
en have-nots’, ook wel aangeduid als ‘the DNA-divide’ is nog lang niet
gestreden. Want ook vanuit het bedrijfsleven zijn er bezwaren tegen de
opkomende bio- en nanotechnologie. Zo wordt er onder meer gewaarschuwd
tegen de mogelijke schadelijke werking van nanodeeltjes op het menselijk
lichaam. Bijvoorbeeld door Swiss Re Insurance Company die in 2003 de
publicatie over de gevaren van nanotechnologie het licht deed zien. In
deze uitgave wordt veel nadruk gelegd op de mogelijkheid dat de
nanodeeltjes een zelfde uitwerking op het menselijk lichaam hebben als
asbest. Ook wordt de vergelijking doorgetrokken met de kritiek op het
gebruik van asbest die van 1898 dateert, in de jaren daarna door
verschillende onderzoeken is bevestigd en pas in 1998 in de Europese Unie
is verboden. De Canadese Milieuorganisatie ECT-Group wijst, in navolging
van Mark Wiesner van het Centre for Biological and Environmental
Nanotechnology (CBEN), Rice University, op de koolstofnanotubes die
vanwege hun langwerpige en starre structuur gelijkenis met asbest vertonen
. Directeur Colvin van het CBEN stelde in dit verband vast dat in 2003 700
miljoen dollar werd uitgegeven aan nanotechnologie, maar dat slechts
500.000 dollar daarvan werd besteed aan onderzoek naar de milieueffecten
ervan. Zij pleit voor een moratorium op de commerciële productie van
nanomaterialen en voor een wereldwijde evaluatie van de
sociaal-economische, medische en milieueffecten van nanotechnologie. De
aversie tegen nanotechnologische toepassingen wordt versterkt door het
ontwikkelen van scenario’s die de gevaren van nanotechnologie laten zien.
Zo is het Foresight Institute van nanopionier Eric Drexler de bron van het
Grey Goo-scenario, waarin zelfreplicerende nanorobots in het milieu
ontsnappen en alle materie omzetten in grijze massa . Dit beeld roept
associaties op met het scenario van de nucleaire winter, dat o.a. door
Carl Edward Sagan is ontwikkeld . Sagan onderzocht klimatologische
gevolgen van een mogelijke kernoorlog en kwam tot de conclusie dat
explosies op steden een immense hoeveelheid verbrande deeltjes de
stratosfeer instuwen waardoor binnen de eerste maand de temperatuur op
aarde met 20 graden daalt en het ecosysteem wordt aangetast. De meeste
doden na een kernoorlog zullen mensen zijn die van honger sterven. Dit
beeld heeft veel invloed gehad op het maatschappelijk debat over het
gebruik van kernenergie. Het Grey Goo-scenario gooit hoge ogen om de
nanotechnologie-discussie op dezelfde wijze te beïnvloeden. Ook de
burger is wantrouwend. Een studie van de Universiteit van East Anglia
(Verenigd Koninkrijk) laat zien dat het publiek - als het gaat om
informatie over onder andere genetisch gemodificeerd voedsel en
radioactief afval - meer vertrouwen heeft in doktoren, milieugroepen en
consumentenorganisaties dan in de overheid. Slechts 5% van de
ondervraagden is van mening dat de overheid op deze terreinen goed werk
verricht. Slechts 20% gelooft dat de overheid luistert naar wat er onder
het publiek leeft.
Op hun beurt hebben veel ondernemers het moeilijk
met de implementatie van nieuwe technologie. Christensen beschrijft in
zijn boek ‘The Innovator Dilemma’ dat goed georganiseerde bedrijven in
geval van doorbraaktechnologieën systematisch onjuist handelen. Dit is een
interessante constatering omdat deze bedrijven niet irrationeel worden
geleid of geen kennis zouden hebben van marktontwikkelingen. Het probleem
schuilt volgens Christensen in het feit dat zij gewend hun beslissingen
zorgvuldig en liefst op basis van onderzoek kwantitatief te onderbouwen en
derhalve alleen opbrengsten kunnen schatten die worden gegenereerd door
bestaande klanten op basis van marginale technologische verbeteringen.
Nieuwe technologieën in nog niet ontwikkelde markten laten zich niet of
nauwelijks in bestaande bedrijfsmodellen uitdrukken. Een andere waarneming
betreft het Red Queen effect: bedrijven innoveren omdat hun concurrenten
het ook doen. Met deze verwijzing naar de uitspraak in het verhaal van
Alice en de rode koningin in Lewis Carroll’s Alice in Wonderland:
‘hardlopen en toch niet vooruitkomen’ wordt gedoeld op het steeds sneller
veranderen en reorganiseren totdat de markt als geheel het tempo niet meer
kan bijhouden en er alleen maar verliezers zijn. Het alternatief om niet
uitsluitend de bereikte positie te willen handhaven, maar om ook iets
geheel nieuws te doen, komt niet aan de orde. Het gevolg hiervan is dat
goede managers nogal eens tot de technofoben moeten worden gerekend.
Anders gezegd: het innovatieproces wordt – maatschappelijk gezien -
beheerst door de verkeerde besluitvormers. Technofielen en technofoben
hebben evenwel gemeen dat zij zich actief met de toekomst van de
samenleving bezig houden door de technologische ontwikkelingen die zich
aandienen serieus te nemen en unflinchingly open our minds to all
possibilities. Zij hebben elkaar veel te vertellen.

Maatschappelijk
debat Het maatschappelijk debat over de wenselijkheid van en het
omgaan met technologie moet niet alleen gaan tussen technofielen en
technofoben. Natuurlijk zullen zij onderling strijd voeren, waarbij
Rathenau waarschuwt voor het patroon van vrienden en vijanden en daarmee
voor een strijd die doorgaans onvruchtbaar is. Gepleit wordt dan ook voor
een publiek debat tussen overheid, wetenschap, bedrijfsleven en overige
maatschappelijke actoren. Het maatschappelijk debat over nieuwe
technologie is ingrijpender dan bijvoorbeeld het debat over kernenergie of
de plaatsing van kruisraketten in de jaren tachtig van de vorige eeuw. In
beide gevallen konden veel mensen worden gemobiliseerd om hun mening
kenbaar te maken, in beide gevallen heeft de publieke opinie grote invloed
op de besluitvorming gehad. In de huidige tijd gaat het om producten en
diensten die een zeer breed terrein van ons leven bestrijken, waarvan er
vele zeer gewenst zijn. Ook nu wordt gezocht naar een licence to develop,
de maatschappelijke legitimatie van onderzoek die verder moet reiken dan
economische motieven en wetenschappelijke vrijheid en nieuwsgierigheid.
Maatschappelijke wensen en zorgen dienen bij de publieke verantwoording
(van nanotechnologische ontwikkelingen) centraal te staan. Tegelijkertijd
is het onderzoek op veel terreinen zover gevorderd dat de technologische
mogelijkheden die zich de komende 10 jaar zullen manifesteren, nu reeds
met een grote mate van zekerheid kunnen worden voorspeld, omdat veel
R&D-activiteiten reeds zijn verricht. Het gaat nu dan ook vooral om de
producten en diensten die er mee worden voortgebracht en om de wijze
waarop ermee wordt omgegaan. Onduidelijk is welke de maatschappelijke
condities zullen zijn die de ruimte voor de technologische ontwikkelingen
bepalen. Uit de complexiteitsleer is bekend dat teveel stabiliteit in een
systeem ongewenst is. Leven op de grens van het uiterste, zonder chaotisch
te zijn, biedt de grootste kans om in een turbulente omgeving te
overleven. Wie geen verrassingen wil toelaten, verliest het vermogen om
zich aan te passen. Meyer en Davis waarschuwen dan ook tegen het invoeren
van systemen die impliciet uitgaan van stabiele structuren en marginale
veranderingen: in time, the killer apps of adaptiveness will emerge and
become as familiar as other management techniques. Ook Perez roept op
tot het realiseren van structurele hervormingen. Zij pleit voor
veranderingen in de financiële regelgeving die de ‘casino-economie’ aan
banden legt en voor het openen van nieuwe markten om het potentieel van de
nieuwe technologie te benutten. Voorts pleit zij voor maatregelen om de
toenemende politieke en sociale spanningen tussen arme en rijke landen te
verminderen.

Timing De timing in
het concept van Perez is interessant. In haar model is The Age of
Information and Telecommunication in 1971 begonnen met de introductie van
de Intel microprocessor, de big bang in deze ontwikkeling. De dolle fase
in de tijd waarin deze technologie zijn weg in de maatschappij moest
vinden, begon in 1987 toen de Dow Jones structureel sterker groeide dan
het reële BNP van de VS. Deze fase eindige in 2001 met de crash op de
internationale effectenbeurzen. In voorgaande technologische revoluties
duurde de synergie-fase doorgaans 10 – 15 jaar, evenals de fase van
maturity. Tegen deze achtergrond kan het jaar 2019 worden geplaatst, het
jaar waarin Kurzweil van het aanbreken van singulariteit spreekt. Dit zou
inhouden dat in de periode tot 2019 het hoogtepunt in de ontwikkeling van
de vijfde technologische revolutie wordt gesitueerd en dat in de periode
na 2019 een nieuwe big bang voor en nieuwe technologische revolutie moet
zorgdragen.

In het volgende hoofdstuk wordt nagegaan onder
welke condities de technologiediscussie en de invoering van nieuwe
technologie zal plaatsvinden. Daarbij zal de indeling van hoofdstuk 2
worden gevolgd. Eerst wordt stilgestaan bij de wijze waarop het
leefklimaat invloed uitoefent, vervolgens wordt de rol van het
bedrijfsleven belicht, om in de derde paragraf de invloed van natie en
stad aan te geven. Tenslotte wordt op mondiale ontwikkelingen ingegaan,
die in deze tijd misschien nog wel de meeste invloed uitoefenen.

4. Koers 2020
4.1 Contouren van de
nieuwe leefwereld
Memes en
biomimetics Mulhall zoekt naar de wijze waarop ideeën zich in de
samenleving manifesteren. Hij stelt vast dat ideeën die vaste voet aan de
grond krijgen, zichzelf kunnen vermenigvuldigen en daarmee een eigen leven
gaan leiden. Deze ideeën, die soms memes worden genoemd, waren tijdens de
bubble duidelijk zichtbaar in de financiële markten met name ten aanzien
van de waarde van internet- en andere technologiebedrijven. Het begrip
memes is door de geneticus Richard Dawkins geïntroduceerd. Memes zijn:
gene-like properties of certain ideas that reproduce, colonize niches, and
adapt to the environment of a society’s collective mind. Daarmee sluit hij
aan bij de opvatting van Meyer en Davids dat er veel gelijkenis is tussen
de dominante rol die in het verschiet ligt voor biotechnologie, nieuwe
materialen en nanotechnologie enerzijds en de aanpassingsprocessen die
zich in de maatschappij voltrekken. Ook deze aanpassingsprocessen
voltrekken zich dikwijls volgens de wetten van de evolutie. Een
illustratie hiervan is de vermindering van de betekenis van de ‘command
and control’ hiërarchie die kenmerkend is voor de industriële economie, en
de opkomst van adapted systems die in het huidige tijdsbestek de meeste
kans op overleven hebben. Jan Amkreutz spreekt in dit verband van een
mentale revolutie die de biologische evolutie achter zich laat: the gene
has lost its dominance, the meme is taking over. Variation and selection
take on the added meaning of intention and purpose, design, and
acceptation or rejection. Humanity has arrived at singularity indeed. That
singularity marks the end of the Darwinian evolutionary reign and the
beginning of mind-full evolutionary expansion. Ter adstructie wordt
door Ian Pearsion opgemerkt dat mensen in de structuur van de
informatiemaatschappij agents zijn, zoals atomen dat zijn in de natuur.
Daarbij is vaak sprake van zelforganisatie omdat de omstandigheden steeds
vaker zodanig zijn dat zij mensen zelf tot bepaalde activiteiten
aanzetten. Dit zien wij ook in de natuur waar planten en dieren zich
veelvuldig aan de omstandigheden aanpassen. In de organisatieleer is er
zelfs een begrip voor dit nieuwe vakgebied: biomimetics. Een voorbeeld
hiervan is de set organisatieprincipes die is ontleend aan het leven van
mieren. Hun kolonies zijn georganiseerd volgens eenvoudige uitgangspunten.
Als een mier voedsel vindt, brengt hij zoveel mogelijk er van naar het
nest en laat daarbij een reukspoor achter. Als hij bij het nest is, laat
hij het voedsel achter. Een andere mier die dit reukspoor ontdekt, volgt
het van het nest af. Ontdekt een mier geen reukspoor, dan volgt hij een
willekeurige (random) route. Deze eenvoudige uitgangspunten betekenen dat
een mier niet behoeft te weten waar zich het voedsel bevindt. De
combinatie van random lopen en het volgen van het reukspoor is een
voldoende voorwaarde om het te vinden. De efficiency is niet optimaal,
maar de oplossing is robuust. Als een mier uitvalt blijft het systeem
intact. Bij Britisch Telecom worden dergelijke systemen onderzocht en
toegepast bij het vormgeven van netwerkmanagement. Zo is ook goede
ervaring opgedaan met het kopiëren van het gedrag van hair follicles on a
fruit fly’s abdomen ten behoeve van de bouw van mobile netwerksystemen.

Einde van de suprematie van de
collectiviteit Susan Greenfield stelt dat de mens in het
informatietijdperk een groter collectief bewustzijn heeft. Hierdoor is het
ideaalbeeld van de onafhankelijke mens met een afgeschermd privé-leven en
unieke gedachten, kennis en meningen is niet van deze tijd. George Orwell
kon zich zorgen maken over de menselijke geest die door manipulatie van
buiten wordt afgebroken en de individualiteit bedreigt. Greenfield stelt
daartegenover dat de menselijke geest (the mind) de verpersoonlijking is
van zijn ervaringen. Naarmate de mens meer ervaringen opdoet en deze voor
hemzelf betekenis geeft, krijgt hij meer status en wordt hij belangrijker.
Zij voegt eraan toe dat informatietechnologie een niet eerder vertoonde
invloed heeft op onze ervaringen en de mens in staat stelt zijn geest naar
eigen inzicht te vormen. In dit verband wordt gewezen op de rol van het
collectieve ego. Vastgesteld kan worden dat de terreur van de nazi’s of
van Al Qaeda niet de terreur is van mensen die niet weten wat zij doen,
maar van mensen met een sterke groepsmentaliteit en een duidelijke set
waarden. Het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog wordt in dit verband wel
toegeschreven aan het feit dat Duitsers na de Eerste Wereldoorlog niet in
staat waren om als privé-personen te leven. Hiervan is handig
gebruikgemaakt. Ook de Marxistisch-Lenistische doctrine gaat uit van de
suprematie van de collectiviteit. Greenfield stelt vast dat in de 20e eeuw
het private ego het heeft gewonnen van het collectieve.
Culturalisering van de
economie De informatie- en communicatietechnologie stimuleert
de culturalisering van de economie met de nadruk die zij legt op beelden,
betekenissen en kennis en dat zelfs op globale schaal. Cultuur wordt in
zekere zin een productiekracht, maar cultuur wordt vooral in gevarieerde,
plurale, gefragmenteerde zin ingevuld. Dat nu betekent een breuk met de
klassieke modernisering. Moraal lijkt plaats te maken voor esthetica.
Beelden, stijlen, consumptiepatronen vormen culturele identiteiten en
leveren de normen voor het goede, dat echter gefragmenteerd is. Het goede
is veeleer het zelf gekozen schone, het nagestreefde aangename.
Aan dit proces wordt veel bijgedragen door wat
wel virtualisering wordt genoemd. Het gaat daarbij om het ontstaan van een
nieuwe werkelijkheid die elektronisch is gegenereerd doordat ertussen de
denkwereld van mensen, los van fysieke ontmoetingen, directe contacten tot
stand kunnen worden gebracht. Op deze wijze wordt een werkelijkheid
geconstrueerd die invloed heeft op de informatieverzameling en vervolgens
op de besluitvorming van mensen. Het internet creëert talloze virtuele
gemeenschappen waarin alles gebeurt wat in de ‘echte’ werkelijkheid ook
plaatsvindt, maar zonder de belemmeringen in tijd en ruimte die deze
werkelijkheid kent. Er ontstaan plaatsen zonder territorium. Dit kan
ingrijpende consequenties hebben, omdat hierdoor een gevoel van
geografische eenheid wordt gecreëerd tussen processen die territoriaal
verspreid zijn. Het proces van virtualisering is daarmee ook een proces
van fragmentatie dat het centrum doet verdwijnen zowel op het niveau van
afzonderlijke organisatie, als op het niveau van de samenleving.

Vermaatschappelijking van de
sport Een voorbeeld van deze ontwikkeling treffen wij aan in de
sport. Traditioneel staat sport in het teken van lichaamsdisciplinering.
In de op prestatie en wedstrijd gerichte sport wordt het lichaam getraind
en gedisciplineerd en worden emoties gecontroleerd om beter te kunnen
presteren. Niet het genieten nu, maar het presteren straks staat op de
voorgrond. Met de ontwikkeling die wordt aangeduid met ‘ ontsporting van
de sport’ is een tegenbeweging manifest. Niet langer staat het presteren
centraal, maar de hedonistische sportbeoefening. Sportverenigingen klagen
over een dalend ledenbestand en voor topsport is minder belangstelling.
Tegelijkertijd wordt sport als het ware de samenleving ingetrokken. Met
wat ‘vermaatschappelijking van de sport’ wordt genoemd, groeit het aanbod
van allerlei vormen van sportbeoefening alsmede de groei van de
bestedingen in de sportieve sector. Sportprogramma’s behoren tot de best
bekeken televisieprogramma’s en de sportheld is een van de belangrijkste
culturele ikonen van deze tijd. Interesse in en affiniteit met sport
vormen een integraal onderdeel van de lifestyle van jongeren. Sport biedt
bij uitstek mogelijkheden om uiting te geven aan de eigen identiteit, om
nieuwe ervaringen op te doen en het eigen lichaam te verfraaien en te
onderhouden. Sport behoort tot het domein van de vrije tijd waar in
toenemende mate onze sociale identiteit wordt bepaald.
 Netwerken Al geruime tijd
wordt gewezen op de betekenis van netwerken. Er zijn wetmatigheden
gedefinieerd die de waarde ervan tot uiting brengen. Veel aandacht hebben
de wetten van Metcalfe en Reed gekregen.
|
De wet van David Sarnoff : de waarde van
niet-interactief netwerk is evenredig met het aantal gebruikers.
De Wet van Bob Metcalfe: de waarde van een interactief
netwerk neemt toe met het kwadraat van het aantal gebruikers.
De Wet van David Reed: de waarde van een interactief
netwerk neemt exponentieel toe met het aantal gebruikers als deze
tezamen een gemeenschap vormen. De gedachte hierachter is dat kleine
groepen onderdeel uit kunnen maken van een groter geheel. Deze
grotere collectiviteit is daardoor zeer krachtig.
|
|
For many platforms we can identify three stages in the
development of the network effects.
Content: In order to attract people to
your platform in the first instance, content is king. Content can be
either information or transactions. It is current, frequently
updated, and relevant to the visitors you wish to attract. Examples
abound in the online world where almost every web site has some form
of content to attract visitors: CNN.com (news), Yahoo.com (sites),
Amazon.com (books) etc. Newspapers, commercial radio and television
are examples outside the web. In this stage you are publishing and
Sarnoff's Law applies.
Connectivity: The next stage is about
connecting people. Companies move from content to connectivity by
adding user identification and features like "add comments"
functionality, reading circles, or classified ads. An example is the
financial section on Yahoo where everybody can add comments about
companies. Some businesses skip the content stage and start at this
level; examples include mobile networks and dating sites. You are
now connecting people, and Metcalfe's Law begins to take effect.
Communities: At this stage, actors are
able to author content and to group together and form
sub-communities. The classic example on the internet is Usenet: the
hierarchy of discussion forums that pre-dates the World Wide Web
considerably. (You can browse and search the discussions at
groups.google.com and other sites.) Most real-world social networks
are at this stage, and follow Reed's Law.
As suggested in the descriptions, many business platforms develop
through these three C's in order, gradually increasing the value of
their networks. |
 Netwerkvorming wordt door de technologische
ontwikkelingen sterk gestimuleerd. Een belangrijk project in dit verband
is The Total Information Awareness Program (TIA) van het ministerie van
Defensie van de Verenigde Staten. Dit project, dat in 2003 is gestart, is
één van de meest ambitieuze en tegelijkertijd controversiële projecten van
het Defence Advanced Research Project Agency. De geschiedenis kan zich
herhalen omdat ook het internet voortkwam uit de research die is betaald
uit Amerikaanse defensiebudgetten in en direct na de Tweede Wereldoorlog.
In het onderhavige geval is het project gericht op het bestrijden van het
terrorisme door het in kaart brengen van netwerken van mensen van hun
ideeën en van de kansen en bedreigingen die ervan uit gaan. Daartoe wordt
fundamenteel onderzoek verricht naar onder andere spraakherkenning,
gecomputeriseerde vertalingen, biometrische herkenning van mensen,
patroonherkenning van menselijk gedrag en algoritmen voor het volgen van
menselijk handelen. De metafoor big brother is watching you komt daarmee
op indringende wijze op de agenda. Deze ontwikkeling draagt bij aan de
vorming van het begrip digital twin. Jan Amkreutz beschrijft de digital
twin als iemands‘ extended memory. It stores all information pertaining to
me, from my DNA signature to the odometer reading of my car; from a
detailed 3D model of my house to the balance in my checking account, and
from my childhood pictures to my favorite music today. Verwacht mag worden
dat de technologie in staat zal zijn om menselijke gedachten te koppelen
aan digitale kennis waarmee de mens nog sterker wordt verbonden aan de
digitale wereld. Uiteindelijk zal blijken dat wij deel uitmaken van een
nieuwe evolutie. Was de kosmische evolutie nodig om onze fysieke realiteit
te scheppen en de biologische evolutie om de mentale werkelijkheid van
leven organismes tot stand te brengen. Volgens Jan Amkreutz leidt de
ontwikkeling van de digitale wereld tot een nieuwe dimensie in het bestaan
waarin alle evoluties samenkomen, de nieuwe Noosphere. Hoe deze
ontwikkelingen zich zullen voltrekken is nog onduidelijk. Zeker is dat de
technologie mensen in staat zal stellen om steeds hoger op de piramide van
Maslow activiteiten te verrichten en het eigen leven inhoud te geven.

4.2 Contouren van het nieuwe bedrijfsleven
Immaterialisering
Ook de economische wetenschap staat onder invloed van de biologische
evolutietheorie. Als economische veranderingsprocessen met behulp van de
evolutietheorie worden beschreven dan wordt afstand genomen van de
neoklassieke economie die zich liet inspireren door de klassieke mechanica
en die de economie beschreef in termen van evenwichtsvergelijkingen.
Alfred Marshall, één van de grondleggers van het mechanistische denken in
de economische wetenschap zag, aan het einde van de 19e eeuw, reeds de
betekenis van de evolutionaire economie maar kon er in de tijd waarin hij
leefde, toen het kapitalisme op zijn hoogtepunt was, er geen inhoud aan
geven. Zoals in hoofdstuk 2 is opgemerkt, zijn de belangrijkste
productiemiddelen in de huidige tijd niet langer commodities, maar
informatie en kennis. Rothschild geeft het verschil tussen materiële en
immateriële producten als volgt aan: ‘One for lifeless objects, the other
for living things; one for stability, the other for change.’
De immateriële economie mag dan op de tekentafel
zijn ontleed, in de praktijk blijkt het voor direct betrokkenen nog steeds
verrassend te zijn als zij constateren dat producten met de beste
prijs/kwaliteitsverhouding het soms moeten afleggen tegen producten die in
de informatiemaatschappij beter scoren. Het verschijnsel ‘memes’ doet zich
niet alleen voor in het maatschappelijk debat, maar ook bij de afzet van
goederen en diensten die de status van ‘commodities’ achter zich hebben
gelaten.
 Co-creation Prahalad trekt
hieruit consequenties voor de strategische positie van de onderneming. Hij
stelt dat het bedrijf voor het eerst sedert de Industriële Revolutie zich
uit het centrum van de netwerken waarvan zij deel uitmaakt, moet
terugtrekken en met haar stakeholders horizontale relaties moet aangaan.
Alleen dat actief processen van co-creation te managen, kunnen bedrijven
op successen rekenen. In zijn visie zijn het niet langer de ondernemingen
die waarde creëren, maar zijn het de gezamenlijke inspanningen van
afnemers en producenten die ten grondslag liggen aan het succes van
ondernemingen. Hij zoekt op deze wijze een uitweg uit wat hij de paradox
van de 21e eeuw noemt: consumenten hebben meer keus, maar die geven hun
minder bevrediging; ondernemers hebben meer strategische opties, maar die
leveren per saldo minder winst op. Philips zegt het op deze wijze: After
fifty years of designing computers that require users to adapt to them, we
must now enter the era of designing equipment that adapts to users. The
user is placed at the centre of the design process. Als deze zienswijze
niet alleen wordt toegepast op de relatie tussen producent en consument ,
maar ook op de relatie tussen onderneming en haar stakeholders komt er een
proces van co-creation tot stand dat aan de basis van een eigentijdse
gezonde economische ontwikkeling ligt. Deze oriëntatie van de
onderneming wordt door Prahalad een breuk met het verleden genoemd. De
traditionele visie is dat de onderneming zich inspant om de consument
zoveel mogelijk van dienst te zijn. Het product moet aansluiten bij zijn
wensen, moet snel worden geleverd en de service moet goed zijn. Aan het
aantal klachten kan worden afgemeten of de onderneming in deze missie is
geslaagd. Prahalad ziet op veel plaatsen een nieuwe, pro-actieve denkwijze
ontstaan. Steeds vaker wordt de relatie tussen de individuele consument en
de onderneming als uitgangspunt gekozen en wordt op basis daarvan een
waardecreatie-proces opgezet. Om succes te hebben is een experience
environment nodig, een forum dat richtinggevend en leidend is in de
activiteiten van de onderneming. Daarmee zijn consumenten tevens
productvernieuwers geworden. De uitdaging ligt evenwel in het omgaan met
de individualisering van de ervaringen van consumenten. Sense and
simplicity, zo noemt Philips dat. Een patiënt die de werking van een
geneesmiddel onderzoekt, wil over zijn situatie en zijn ervaringen met
medepatiënten en vervolgens met de farmaceutische industrie communiceren.
Bedrijven bieden steeds meer combinaties aan van productvariaties, kleuren
en omgevingen. Onder meer Dell (computers) en Starbucks (koffie) hebben
hiermee reeds successen behaald. Prahalad stelt dat de collectieve
ervaring van consumenten de enige kracht is die vertrouwen in de
onderneming creëert en daarmee de waarde van het merk van het product
bepaalt. De consumentencommunities bepalen dan ook de aard van de
concurrentie tussen bedrijven. De toekomst van de onderneming ligt in het
organiseren van netwerken waarin het individu een centrale rol speelt. Het
individu kan de consument zijn, maar ook de werknemer, de belegger of de
toeleverancier: We are moving from an institution-centric view of the
individual to an individual-centric view of the institution. It finally
leads us toward an economy of the people, by the people and for the
people.

Arbeid Deze
ontwikkeling wordt geflecteerd in hetgeen in de arbeidsorganisatie zal
plaatsvinden. Het traditionele kantoor, nu 150 jaar oud, heeft zijn
langste tijd gehad. Verwacht wordt dat over afzienbare tijd een derde van
de beroepsbevolking vanuit huis zal werken. Tom Peters merkt daarbij op
dat werknemers voor hun identiteit en hun carrière niet langer afhankelijk
zijn van degenen die in een onderneming boven hen zijn gesteld, want zij
werken veelal als freelancers en daarmee als zelfstandige ondernemers. Het
aantal leidinggevenden zal in de komende 10 jaar met 90% afnemen. Deze
ontwikkeling wordt mede veroorzaakt doordat steeds meer werknemers
verlengstuk worden van computergestuurde productie. Robots en andere
machines veranderen de aard van het werk. Nu reeds wordt 35% van de
telefonische contacten met call centres automatisch afgehandeld. Veel
banen verdwijnen. Er komt ook nieuw werk. Machines moeten worden
geïnstalleerd en geprogrammeerd, totdat ook deze ‘tweede orde’ banen
worden geautomatiseerd. Daarmee ontstaat een ‘black box’ economie, waarin
veel werk is geautomatiseerd en mensen zich vaak moeten aanpassen om aan
het werk te blijven. De meest stabiele sector is die van de zorg. Pearson
en Lyons verwachten dan ook dat na de industriële en de informatietijd, de
tijd van care is aangebroken. Mensen willen betalen voor menselijke,
interpersoonlijke diensten. Deze tijd zal vanaf 2010 een aanvang nemen en
rond 2015 tot volle ontwikkeling zijn gekomen. Gezondheidszorg, onderwijs
en persoonlijke dienstverlening zijn de grootste banenmotors, mede gevoed
door sterke prijsdalingen in andere sectoren van de economie.
 4.3. Contouren van de nieuwe stad
Nieuwe geografische
economie Tijdens de euforie over de ‘nieuwe’ economie kwam ook
de ‘nieuwe’ geografische economie op. Op zoek naar verklaringen voor
ruimtelijke concentratie van economische activiteiten werd vastgesteld dat
er sprake is van toenemende meeropbrengsten als concentratie van productie
tot kostenbesparing leidt. De betekenis van informele contacten met
afnemers, de toegang tot intermediaire producten en aanvullende diensten,
alsmede de beschikbaarheid van gespecialiseerd personeel dragen eveneens
bij.
Soft power
Inmiddels heeft ook het begrip ‘soft power’ zijn intrede
gedaan. Soft power is de macht die wordt uitgeoefend door respect te
oogsten voor het doel en de middelen die worden ingezet waardoor
vrijwillige bereidheid tot participatie in de plaats komt van dwang. Het
begrip ‘soft power’ wordt toegeschreven aan Joseph Nye, die het definieert
als a country’s ability to persuade other nations to comply with its
objectives without the use of coercive force. Deze macht is van veel
betekenis omdat de maatschappelijke ontwikkeling alleen in goede banen kan
worden geleid als deze krachten worden gemobiliseerd. Soft power is niet
voorbehouden aan natiestaten. Ook veel non governmental organizations
(ngo’s) zijn op deze kracht gebaseerd. Het wordt gestimuleerd door de
snelle groei van het internet waardoor veel virtuele netwerken zijn
ontstaan. Mensen gebruiken het internet daarmee voor sociale doelen en het
net wordt daarmee een politiek platform. De netwerken die ontstaan, hebben
een gemeenschappelijke culturele identiteit, religie, politieke
overtuiging, bedrijfsethiek of sociale waarde. Velen zijn klein en blijven
dat ook, andere groeien uit tot grote organisaties met veel economische en
politieke macht. Deze netwerken worden belangrijker dan de geografische
gebonden netwerken.
Tegelijkertijd biedt de opkomst van de
‘care’-economie meer eenvoudig werk, op voor de werknemer beter passende
momenten, terwijl minder fysieke kracht nodig is. Als gevolg hiervan
kunnen ook ouderen gemakkelijker werk vinden en zal het concept van
pensionering geleidelijk verdwijnen. Moynagh en Worsley beschrijven deze
situatie onder titel liquid lives en beschouwen deze als de meest
wenselijke na te streven oudedagsarrangement. Het systeem verandert de
beleving van de oude dag en van het werk zelf. Als werk voor ouderen
flexibeler wordt, heeft dat ook invloed op het werk voor jongeren. Daaraan
kan worden toegevoegd dat de formele werkweek naar verwachting steeds
minder uren zal tellen, maar dat de bereikbaarheid en de beschikbaarheid
van de werkenden buiten deze uren toe zal nemen. Niets doen past niet meer
in de komende tijd. Voor velen zullen werk en vrije tijd samenvallen,
waarbij zij hun leven in hoge mate zelf zullen beïnvloeden waarbij ook het
gebruik van gepersonifieerde drugs en medicijnen een rol zal spelen.
Pearson en Lyons zien ook een andere beleving van
geld: Soon, we have to reinvent money. Zij zien nieuwe vormen van
informeel geld ontstaan, waaronder de Local Exchange Trading Systems
(LETS), waarvan er in het Verenigd Koninkrijk inmiddels honderden zijn.
Het kapitalistische systeem heeft veel gedaan voor de voortbrenging van
goederen en diensten die zich op de lagere niveaus van de piramide van
Maslow bevinden, maar weinig voortgebracht voor de hogere niveaus. Dit
leidt tot de conclusie dat de verwachte ontwikkelingen bedreigend zijn
voor het kapitalistische systeem, maar tegelijkertijd mogelijkheden biedt
om ons leven zelf in te richten op een wijze die in ieders voordeel is.
Door deze ontwikkelingen neemt het
maatschappelijk debat over belangrijke onderwerpen nieuwe vormen aan. Op
verschillende plaatsen en in verschillende vormen ontstaan reeds nieuwe
netwerken van mensen en organisaties die tot de beoogde meningsvorming
willen komen. Een voorbeeld van een dergelijke nieuwe vorm is The 21st
Century Town Meeting, ontwikkeld door AmericaSpeaks, een instelling die in
de Verenigde Staten verschillende vormen van debatten organiseert. Dit
model kreeg bekendheid door de discussie over de herontwikkeling van Lower
Manhattan na de aanval op het World Trade Centre van 11 september 2001.
Het hoogtepunt van het debat was een bijeenkomst in een vergadercentrum in
New York waaraan 4.500 mensen deelnamen. Tijdens die bijeenkomst
presenteerden de Lower Manhattan Development Corporation en de Port
Authority zes plannen die in aanmerking kwamen voor de herontwikkeling van
het betreffende gebied. De bijeenkomst werd afgesloten met een verklaring
waarin de zes voorgestelde plannen door de deelnemers werden verworpen.
Tegelijkertijd gaven zij de ontwikkelaar nauwkeurige aanwijzingen met
betrekking tot de eisen die aan de nieuwe gebouwen moeten worden gesteld.
Dit maakte het mogelijk dat in juli 2004 de eerste steen kon worden
gelegd, waarmee de herbouw van de Twin Towers een aanvang heeft genomen.
Een ander voorbeeld speelt zich af in Duitsland.
Daar is de laatste tijd getracht om het brede publiek te betrekken bij het
debat over biotechnologie. Initiatiefnemer is de loterijorganisatie Action
Mensch. Met een zeer uitvoerige website (www.1000fragen.de), billboards in
de grote steden en presentaties van bekende persoonlijkheden van o.a. de
Duitse televisie is vooral aandacht gevraagd voor en informatie gegeven
over de verschillende aspecten van de biotechnologie. Het inhoudelijke
debat en het commitment van politiek en bedrijfsleven ontbraken evenwel in
hoge mate.
Inmiddels neemt de kennis met betrekking tot het
organiseren van dergelijke debatten toe. Larry Susskind benadrukt dat
dergelijke inspraakprocessen niet behoeven te leiden tot een vorm van
unanimiteit ten aanzien van de voorstellen. Als autoriteit op het gebied
van consensus building benadrukt hij dat consensus moet worden gezien als
overeenstemming over een voorstel die niet voor eenieder de best mogelijke
optie behoeft in te houden maar wel voor zoveel mogelijk mensen een
voorstel moet zijn waarvoor zij begrip kunnen opbrengen. Daarmee is ook
ruimte geschapen voor mensen die met verschillende achtergronden en
verschillende motieven aan een debat deelnemen.

Shopping is the new voting
Voor ondernemingen is dit perspectief in een aantal gevallen
nieuw. Bedrijven moeten gaan deelnemen aan de discussie over de identiteit
van de locatie waar zij zijn gevestigd en moeten deel uitmaken van
netwerken die beleidsbeslissingen voorbereiden en uitvoeren. De laatste
jaren is bij veel bedrijven de ruimte om mensen voor dergelijke
activiteiten beschikbaar te stellen sterk verminderd. Van een strategische
oriëntatie op de rol van de stad voor de eigen onderneming is dan ook niet
of nauwelijks sprake. Toch worden steeds meer bedrijven gedwongen om hun
maatschappelijke license to operate op de bedrijfsagenda te plaatsen en
zij zullen er niet aan kunnen ontkomen om hun commerciële beleid op de
immateriële ontwikkelingen in de stad af te stemmen. Emotiemarketing doet
zijn intrede, deze ontwikkeling laat zich in de grote stad het sterkst
voelen.
Daarmee ontwikkelt zich het perspectief van het
pro-actieve stadsbeleid van de ondernemingen. Participatie in
gemeentelijke netwerken draagt bij aan het succes van het eigen
commerciële en personeelsbeleid. In de literatuur wordt zelfs al gesproken
van de overgang van corporate social responsibility naar corporate social
leadership . Hilton en Gibbons merken op: as social responsibility becomes
a business prerequisite; as corporations realize that through social
leadership they can help make the world a better place and help their
business too, it’s a reasonable bet that in ten years’ time we’ll be
saying that shopping is the new voting.
 4.4. Contouren van de nieuwe
wereldeconomie
De meest complicerende factor is dat ook de
toekomst van de maatschappelijke orde in het geding is. Misschien speelt
deze onzekerheid wel een rol bij de opkomst van de sterke plutocratie in
de politiek en de economie. De geringe resultaten van de bewegingen die de
democratie willen versterken, geeft te denken. De defensieve houding van
de verdedigers van de huidige maatschappelijke orde wordt wellicht mede
ingegeven door de vooruitzichten van de vermindering van de welvaartskloof
tussen de Eerste en de Derde wereld. Brazilië, Rusland, India en China (de
zgn. BRIC- landen) gaan zich roeren. Het aantal technisch opgeleiden in de
Derde wereld is binnenkort vijf keer zo groot als in de Eerste wereld. De
volgende generatie internet, de liquistic user interface en andere
vernieuwingen zullen niet door Amerikanen worden geïnstalleerd. Kortom
velen zullen hun kans grijpen om hun plaats in de wereld op te eisen. Ook
Greenfield vraagt aandacht voor The Vast Majority, de snel groeiende
wereldbevolking die door de Eerste Wereld zo veel mogelijk buiten haar
grenzen wordt gehouden. We hebben te maken met een groeiende
welvaartskloof, die alleen kan worden verkleind als de technologie wordt
ingezet die beschikbaar is om de Derde Wereld van energie en informatie te
voorzien. Greenfield pleit voor de instelling van een Science Peace Corps
dat zich inzet voor deze technologietransfer. Anders gezegd: het
maatschappelijk debat mag niet worden beperkt tot onze wereld, maar moet
mondiaal worden gevoerd.
Het is niettemin wenselijk dichter bij huis te
beginnen. In dat geval zal het debat niet alleen met ‘stakeholders’ moeten
worden gevoerd, zoals Rathenau voorstelt, maar ook met brede publiek.
Immers de politiek en de ondernemingen worden alleen bereikt als zij op
deze wijze in dit debat worden betrokken en zonder hun deelname is de
dialoog wellicht nuttig maar vooral vrijblijvend.
Een aantrekkelijke optie is om
publieksgerichte acties zoals hierboven aangegeven te verbinden met het
voorstel van Jean François Rischard van de Wereldbank, om Global Issues
Networks (GIN’S) op te richten. Voor elk nijpend mondiaal probleem moet
volgens hem een netwerk gevormd worden, bestaande uit overheden,
bedrijven, particuliere organisaties en actiegroepen. Deze groepen stellen
normen en standaarden op, bijvoorbeeld voor een verantwoorde omgang met
het milieu. Wie zich daar niet aan houdt, wordt in de media aan de
schandpaal genageld. Terwijl het afsluiten en ratificeren van
internationale verdragen doorgaans jaren, zo niet decennia kost, kunnen
zulke netwerken snel opereren, aldus Rischard. Bovendien kunnen burgers
zich gemakkelijker identificeren met zo'n netwerk dat zich met een
concreet probleem bezighoudt, veel meer dan met een wereldregering of een
ander abstract bureaucratisch orgaan. Het is een idealistisch en zelfs een
beetje rommelig plan, erkent Rischard, maar de tijd is er rijp voor. ’Diep
van binnen voelen mensen dat de manier waarop de aarde zich ontwikkelt,
een geweldige positieve kant heeft, maar ook een verschrikkelijke
negatieve’.
 5. Smart society
5.1 Onzekerheden in het
toekomstonderzoek
Het voorspellen van ontwikkelingen die in de
toekomst plaatsvinden is een hachelijke zaak. Niet zelden worden prognoses
van de nieuwe tijd in het belachelijke getrokken, hetgeen ertoe bijdraagt
dat mensen sceptisch worden om, als was het maar enig geloof te hechten
aan de uitkomst van toekomstonderzoek. Het is een veel gehoorde uitspraak
van Allan Kay: The best way to predict the future is to invent it. Met
deze uitspraak wordt de toekomstonderzoeker ontlast van zijn plicht om een
visie op de toekomst te ontwikkelen, terwijl de belanghebbende zelf zich
niet aan de mogelijkheden die zich in de toekomst aandienen, mag
onttrekken.
De relatie tussen deskundigen en belanghebbenden
staat centraal in de discussie over het ontstaan van vertoogcoalities. Op
het gebied van milieu is vastgesteld dat een vertoogcoalitie is ontstaan,
waarbij onderzoekinstellingen normen hebben vastgesteld met betrekking tot
de wetenschappelijkheid van toekomstverkenningen, vaak zonder deze
modellen te expliciteren. Voorts is aangetoond dat
beleidswetenschappelijke bureaus met elkaar consensusoverleg voeren,
waardoor opnieuw onzekerheden en kennis impliciet worden meegenomen in de
verkenningen. Daarmee komt de WRR tot de conclusie dat consensusvorming in
beleid niet plaatsvindt op basis van onafhankelijke kennis omdat de
consensusvorming aan de besluitvorming is voorafgegaan. Tevens wordt
vastgesteld dat in de Nederlandse praktijk de traditie bestaat om
deskundigen de rol te geven de ruimte voor gemeenschappelijk overleg te
bepalen. Ook Hoppe maakt het onderscheid tussen deskundigen en
beleidsmakers. Hij stelt voor om beide werelden met elkaar te verenigen
door het samenstellen van een vertoogcoalitie van hogere orde waarin de
verschillende vertogen aaneen worden gesmeed tot een overstijgend vertoog
c.q. verhaallijn.
Dit essay heeft de status van het overstijgende
vertoog. Zij probeert de kennis vanuit de toekomstwetenschap zodanig samen
te vatten dat beleidsmakers hiermee hun voordeel kunnen doen.

De gevolgen hiervan zijn verstrekkend. In een
recente publicatie van deskundigen van de Rabobank worden vier scenario’s
voor het marketingbeleid van ondernemingen geformuleerd. Daarbij zijn
zogenoemde kernonzekerheden geformuleerd, te weten de mogelijkheid dat er
tot 2015 magere jaren of juist vette jaren zullen optreden en de
mogelijkheid dat de welvaartontwikkeling zich richt op individuele
welvaart dan wel op maatschappelijk welzijn. Daarmee ontstaan vier
scenario’s, elk met een eigen dynamiek en specifieke implicaties voor de
behoeften bij bedrijven en individuen. Binnen de context van dit essay kan
aansluiting worden gezocht bij het scenario ‘Marketing ten tijde van
zingeving’, waarin uitgegaan wordt van een sterke behoefte aan sociale
inbedding, authenticiteit bij de vorming van persoonlijke identiteit en
het verwezenlijken van persoonlijke belangen.
Een soortgelijke opmerking kan worden gemaakt bij
de scenario’s die onlangs door het Centraal Planbureau zijn gepubliceerd.
Als de in dit essay aangegeven ontwikkeling van de vraag naar immateriële
goederen en diensten doorzet en de technologische doorbraken sneller komen
dan het CPB verwacht, dan is de kans op realisatie van het scenario Global
economy het grootst. In dit scenario is sprake van een overheid die eigen
verantwoordelijkheid van burgers benadrukt, zoveel mogelijk aan de markt
overlaat en de regulering op onder meer het gebied van pensioenen en
huisvesting versoepelt. De groei van de materiële welvaart is in dit
scenario hoger dan in de andere door het CPB geformuleerde scenario’s. In
een commentaar op de scenario’s van het CPB merkt NRC Handelsblad in een
hoofdredactioneel commentaar op dat het ontbreken van een voorkeur van het
CPB zelf niet is vol te houden. In de scenario’s zijn namelijk impliciet
politieke stellingnames opgenomen die wellicht onvermijdelijk zijn, maar
die geweld doen aan de waardevrijheid van de studie. Toch heeft het
Planbureau gekozen voor de juiste aanpak.
Uitgaande van de noodzaak om te komen tot
‘vertoogcoalities van hogere orde’ is het actief onderzoeken van de
toekomst de enige manier om tot beleidsvorming te komen. Onderkend moet
worden dat in de informatiemaatschappij die zich thans ontwikkelt de
onzekerheden groot zijn. Deze onzekerheden zijn te vergelijken met de
onbekendheid van de wereld waarvoor de burgers streden ten tijde van de
bestorming van de Bastille op 14 juli 1789. Zij liepen te hoop tegen de
macht van de adel en de kerk en effenden daarmee de weg voor het
kapitalisme. Deze situatie heeft zich vaak herhaald, zo ook bij degenen
die in 1989 de Berlijnse Muur afbraken en zich vervolgens tastend een weg
moesten zoeken in de nieuwe tijd.
 5.2 Contouren van de nieuwe tijd
Onlosmakelijk verbonden met de
informatiemaatschappij is de opkomst van netwerken en de invloed daarvan
op ons denken. Deze netwerken hebben in hoge mate bijgedragen aan de
vorming van collectiviteiten waardoor de individualisering over het
hoogtepunt heen is. De in deze tijd passende collectiviteiten zijn
weliswaar informeler en tijdelijker dan die uit vorige decennia maar zijn
in voorkomende gevallen veel machtiger. Door de intensieve communicatie
binnen deze netwerken is er sprake van een intensievere beleving van het
heden, van de eigen identiteit en positie in de maatschappij en van de
eigen mogelijkheden daarin. De gevolgen zijn verstrekkend omdat
onderwerpen als consumententrouw, binding aan de arbeidsorganisatie, de
kerk en de politiek in een nieuw daglicht zijn gekomen. In de gedachtegang
van Maslow streven steeds meer mensen naar zelfverwerkelijking ondanks de
strijd tussen McWorld en Jihad om het behoud van traditionele collectieve
waarden.
Toenemende
meeropbrengsten Netwerken behoren in toenemende mate tot het
waardesysteem van de onderneming. De organisatie van deze netwerken
vereist kernvaardigheden die informatie- en kennisintensiever worden. Deze
ontwikkeling is niet zonder problemen omdat de grenzen tussen
ondernemingen in het waardesysteem vervagen. Ook de marktleiders en de
sterksten in het netwerk weten dat een go-it-alone strategie niet mogelijk
is.
Deze zogenoemde strategische netwerken vormen een
van de veroorzakers van het verschijnsel: toenemende meeropbrengsten.
Commandeur onderkent daarbij de betekenis van het bestaan van producten
die op elkaar aansluiten en daarmee de aantrekkelijkheid van het gehele
assortiment producten vergroot. Door de toegenomen markt wordt het
dagelijks product aantrekkelijker bij een vermindering van de
productiekosten. Daarnaast is er in voorkomende gevallen sprake van
zelfversterkende verwachtingen bij de deelnemers in het waardesysteem. Als
voorbeeld noemt Commandeur standaarden die als geloofwaardig worden
beschouwd en die de potentiële gebruiker de zekerheid geeft dat hij een
goede keuze maakt. Toenemende meeropbrengsten treden ook op bij
schaaleffecten van producten waarvan de variabele kosten laag zijn (bij
immateriële producten zijn ze soms zelfs verwaarloosbaar) en bij het
benutten van ervaring- en leereffecten in het transformatieproces.

Toenemende meeropbrengsten in
de economie Ook voor de economie als zodanig is het interessant
om in te spelen op de mogelijkheden toenemende meeropbrengsten te
realiseren. Daarbij kan worden aangesloten bij de increasing returns’
multiplier, zoals voorgesteld door Buchanan. Francesco Forte spreekt van
the return of increasing returns en pleit voor aanpassing van het
belastingstelsel teneinde de aanbodkant van de economie zoveel mogelijk te
ontzien. Hij stelt in navolging van Buchanan: increasing returns are the
general law of market economy operating in competition. Afnemende
meeropbrengsten zijn uitzonderingen en vaak het gevolg van belemmeringen
in het functioneren van markten. Daarmee komt de wetmatigheid op de
voorgrond, waarbij een aantal factoren een markt creëert. Het verschil met
de Keynesiaanse opvatting is dat Buchanan uitgaat van markten met
volledige werkgelegenheid waar de vraagtoename leidt tot het voortbrengen
van additionele output met de bestaande omvang van de productiefactoren.
De gevolgen van deze benadering zijn aanzienlijk. Deze betreffen de
bevordering van vrijhandelsgebieden, deregulering en privatisering.
Tegelijkertijd is het een pleidooi voor belastingvermindering omdat de
publieke uitgaven die hiermee worden gefinancierd doorgaans worden besteed
aan het voortbrengen van niet commerciële goederen en diensten, waarmee de
multiplier als gevolg van toenemende meeropbrengsten afwezig is. De visie
van Buchanan sluit aan bij de verwachting in dit essay dat de omvang van
de collectieve sector zal afnemen. Buchanan toont aan dat deze afname bij
een sluitende overheidsbegroting via de vraagzijde van de economie een
stimulerend effect heeft op de economische groei.
Toenemende meeropbrengsten in
de wereldeconomie Paul Krugman heeft naam gemaakt met zijn
studie van increasing returns in de wereldhandel. Zijn visie past goed in
de recentere pleidooien voor stimulering van de aanbodeconomie. C.K.
Prahalad wees in zijn recente boek ‘The Fortune at the bottom of the
Pyramid’ op de marktmacht van de 4 miljard arme mensen die de wereld kent.
Mede door de toenemende verstedelijking vinden steeds meer multinationale
ondernemingen hun weg naar deze markt die tegelijkertijd voor de
betrokkenen zelf een middel is om verbetering in hun eigen situatie te
brengen.

5.3 Structureren van de beleidsvorming
Leefwereld Beleidsvorming op dit terrein begint bij
het onderkennen dat de burgers op zoek zijn naar experiences die voor hun
leven belangrijk zijn. Het onderkennen van deze behoefte van de burger is
een uitgangspunt dat in de civil society zelden wordt gekozen. Veel
belangenverenigingen, media en politici concentreren zich op de
slachtoffers van de maatschappij en besteden nagenoeg geen aandacht aan de
groeiende groep mensen die actief op zoek is naar ‘geluk en genot’. Het is
interessant om de neergang van het aantal leden van politieke partijen,
kerken en publieke omroepen tegen deze achtergrond te evalueren.
Bedrijfsleven In het
bedrijfsleven is de opkomst van het debat over toenemende meeropbrengsten
voorspelbaar. Dit leidt tot aandacht binnen de bedrijven aan processen als
co-creation waarbij toeleveranciers en afnemers worden betrokken bij het
ontwerp, productie en distributie van goederen en diensten. Tegelijkertijd
zullen ondernemingen pleiten voor vestigingsplaatscondities waarin het
aantal belemmeringen zo beperkt mogelijk is en het fiscaal systeem is
afgestemd op de motoriek van de increasing returns multiplier. Op
verschillende terreinen is dit debat al in volle gang, onder meer op het
terrein van de sociale zekerheid.
De stad In deze
context past een nieuw debat over de toekomst van de stad. Een nieuw
element daarin zal de aandacht zijn voor wat in dit essay het Red
Queen-verschijnsel is genoemd. Verwacht wordt dat er steeds meer verzet
komt tegen stedelijke vernieuwingen die van andere steden zijn
overgenomen. De roep om originaliteit die de leefbaarheid vergroot, wordt
steeds sterker.
Wereldeconomie In de
wereldeconomie gaat de aandacht niet alleen uit naar de bestrijding van
armoede door middel van empowerment van de bevolking van derde
wereldlanden, maar ook naar de snel groeiende macht van landen zoals
Brazilië, Rusland, India en China. Daarbij gaat het niet alleen om de
snelle vergroting van afzetmarkten, maar ook om het verschijnsel leap
frogging in de technologische ontwikkeling. Dit laatste verschijnsel maakt
het mogelijk dat voorheen achtergebleven regio’s zich in de voorhoede van
de technologie plaatsen.
 5.4 Timing
Snelheid is
geboden Uit de studie van Carlota Perez mag worden opgemerkt dat
in de huidige fase van technologische ontwikkeling sprake is van
institutional recomposition. De mate waarin samenlevingen zich aanpassen
aan de eisen van de informatiesamenleving heeft belangrijke invloed op het
succes. Dit succes laat zich niet uitsluitend in economische termen
uitdrukken. Onvermijdelijk moet het debat over informatietechnologie,
biotechnologie, nanotechnologie en robotica worden gevoerd. De reden
daarvan is door Freeman Dyson als volgt onder woorden gebracht: In the
long run, the central problem of any intelligent species is the problem of
sanity. We shall be free to choose our values and our purposes. There will
be no absolute standards by which to judge one set of values right and
another wrong. For a society with a technological control of human
emotions, addictions to artificial emotional experiences may be fatally
easy to induce. A society addicted is this way to dreams and shadows has
lost its sanity. Ook in cultureel opzicht is er weinig tijd te
verliezen. Volgens Karen Armstrong is er sprake van een
paradigmaverschuiving van de logos, de reden, met haar altijd
nieuwsgierige, toekomstgerichte oriëntatie naar de mythos, een magische
emotionele manier van denken die naar binnen is gericht en die vooral in
het verleden een richtsnoer zoekt voor deze verwarrende wereld. Geert Mak
voegt hieraan toe: Wij, in onze moderne westhoek van Europa, zijn gedoemd
tot openheid en kwetsbaarheid. Wij zullen onbekende en soms pijnlijke
maatregelen moeten accepteren, juist om belangrijke en zeldzame
kwaliteiten te redden: onze pacificatie, met als nevenproduct onze
befaamde tolerantie. En uiteindelijk zullen wij naar de bron moeten: de
ontworteling, de vernedering, de almaar toenemende woede van de
niet-westerse wereld.

|