Voor volledig overzicht: ga naar De Concentrische Mens

Prospectus van een boek door Dr P.H.Damstť te Utrecht, getiteld:

DE CONCENTRISCHE MENS

WEERBAAR DOOR COMMUNICATIE

Dit boek gaat over menselijke gezondheid en welbevinden. Daarvoor is een bepaalde kwaliteit nodig die niet kan worden gemist: ik noem het weerbaarheid of immuniteit. Het is een eigenschap die iemand sterk genoeg maakt om aan bedreigingen het hoofd te bieden. Sterk genoeg om onder tegenwerkende omstandigheden het zelfvertrouwen te bewaren. Het is een soort onkwetsbaarheid, die natuurlijk niet echt bestaat maar wel als ideaal. Geneeskundigen en andere hulpverleners hebben vooral met cliŽnten te maken die een tekort hebben aan deze kwaliteit. Zij zijn in bepaalde opzichten kwetsbaar. Als ze van de ene aandoening zijn hersteld worden ze al door de volgende opgewacht bij een nieuwe hobbel op hun levensweg. Een hulpverlener met begrip voor de situatie zal niet alleen aandacht besteden aan de afzonderlijke kwalen, maar vooral aan de kwetsbaarheid die eraan ten grondslag ligt.

Als lezer vraag je je nu misschien af: "waarom moet ik dit weten, wat gaat het mij aan?" Het antwoord is dat iedereen met vragen zit over gezondheid en ziekte. Daarvan wordt op grote schaal gebruik gemaakt door allerlei rubrieken die aardig zijn als bladvulling, maar die niet echt op de zaak ingaan. "Wat is de zin van dieper te graven; je komt dan op moeilijke vragen waarop niemand nog het antwoord weet".  Dat valt wel mee. Als je in een onverlichte gang zoekt naar de sleutel tot het antwoord, is er weinig kans dat je hem vindt. Maak je licht, dan is de kans wel groot. Het verschil tussen duisternis en licht staat hier voor het verschil tussen mechanistisch denken en het nieuwe perspectief dat rekening houdt met de dimensie tijd en met ontwikkeling. 
Het tijdsperspectief ontsluit het inzicht in aanpassend leren: de grondslag van gezonde ontwikkeling. Heb je eenmaal het adaptief leerproces begrepen dan zijn begrippen als evolutie en weerbaarheid of immuniteit, waarom het hier gaat, niet moeilijk meer. De tegenstelling tussen materie en geest is opgeheven, het verband tussen vorm en functie is helder. 

Weerbaarheid (immuniteit) is de kunst de juiste keuzes te maken tussen aanpassen enerzijds en afweren anderzijds. Die levenskunst is voor een deel aangeboren en wordt in de loop van het leven verder geleerd. Via daarvoor bestemde orgaan-systemen worden er weerbare keuzen gemaakt. Contacten met de stoffelijke omgeving worden vooral door het immuunsysteem verwerkt, contacten van zintuiglijke en sociale aard door het zenuwstelsel. We zullen die twee orgaansystemen nader leren kennen, en de manier waarop zij zorgen voor de interne en externe communicatie. Het zijn systemen, die kennis opdoen en vastleggen over de omgeving en ze vertonen grote individuele variaties in aanleg. Zowel het immuunsysteem als het neurale systeem hebben een fantastisch leervermogen, waardoor ze een persoonlijke communicatie stijl (zoals reactiebereidheid en temperament) ontwikkelen.   
Weerbaarheid, en vooral het leer-proces dat ertoe leidt, kan alleen worden begrepen met een manier van denken die uitgaat van hoe vorm, functie en gedrag ontstaan in de tijd. Vergelijk met elkaar de begrippen waarom het draait:  

in het nieuwe denken in het oude denken
gedrag is finaal (doelgestuurd), interactief, 
top-down en bottom-up zijn in dialoog 
causaal, eenrichting-hiŽrarchie, geen dialoog
evenwicht is dynamisch, alles is voortdurend in oscillerende beweging statisch evenwicht, stilstand en beweging wisselen elkaar af
verbindingen gaan langs verschillende wegen en vormen een netwerk stabiele verbindingen, geen keuze 
vorm volgt functie, ongedetermineerd gedrag, 
uitkomsten niet altijd voorspelbaar
organische groei verloopt gedetermineerd, voorspelbaar 

Waarom een concentrisch model van de mens?

De concentrische mens is een bol vol leven. In zijn binnenste heerst het goed bewaakte erfgoed van het genetisch bouwplan: kluwens DNA-moleculen waarvan fragmenten al honderden miljoenen jaren onveranderd zijn doorgegeven. De lagen eromheen zijn in de evolutie ontstaan door actieve informatie uitwisseling (transacties) tussen de DNA kern en zijn omgeving. Tijdens de afstammingsgeschiedenis hebben transacties plaats gehad waarin uitdagingen vanuit de omgeving altijd op een passende manier zijn beantwoord. Aldus communicerend met de omgeving heeft de kern van leven zich voorzien van gordels van aanpassings- en verdedigingswerken.

De concentrische opbouw is meer dan een mentale constructie, die helpt het functioneren van de mens te begrijpen. We zullen zien dat de evolutie sporen van concentrische kringen heeft achtergelaten met name in het gedeelte van de hersenen waar het besturen van lichamelijke en geestelijke functies in elkaar overgaan. Zo abstract is het concentrisch model dus niet. 

Communicatie speelt een hoofdrol in dit verhaal, maar in een ruimere zin dan zijn dagelijkse betekenis. We denken niet in de eerste plaats aan radio, telefonie, reclamefolders, brochures. Individueel communiceren door spreken, luisteren en het onwillekeurig tonen van lichaamstaal komt er dichter bij. Maar het gaat vooral om vitale vormen van communicatie die in dienst staan van het behoud van het individu: kennis opnemen en verwerken van de omgeving door het immuunstelsel, het zenuwstelsel. De neuro-immune samenwerking maakt dat lichaamswijsheid en cognitieve functies op elkaar aansluiten. 
Het concentrisch model is een geschikt grondplan waarbinnen alle vormen van communiceren (vitaal, defensief, agressief, speels, kunstzinnig, spiritueel) in een logische samenhang geplaatst zijn. 

Veel mensen, zo lijkt het, kijken verlangend uit naar een antwoord op de vraag: hoe oefenen geest en lichaam wederkerig invloed op elkaar uit en waar zit de schakelaar die de interactie regelt. Vooral uit het tweede lid blijkt dat de vraag wordt gesteld vanuit het gezichtspunt dat geest en lichaam levensverschijnselen zijn die elk een afzonderlijk bestaan leiden. Oppervlakkig gezien is dat misschien zo, maar ik denk dat dit boek een bevredigend antwoord geeft op de "meest gestelde vraag": die naar het verband tussen lichaam en geest. Het antwoord komt vanzelf als we het begrip cognitie een bredere betekenis geven. 
De aanpassings- en verdedigingszones waaruit een concentrisch organisme bestaat, blijken beladen te zijn met cognitie: kennis van de omgeving en verstand ermee om te gaan. Een voorbeeld: de vleugels van vogels en de vinnen van vissen dragen kennis over het bewegen in lucht, respectievelijk water. Het geldt voor iedere aan de omgeving aangepaste vorm, functie of gedrag. De aanpassings- en verdedigingszones onderscheiden zich van elkaar doordat ze in verschillende tijdvensters opereren. Voor het immuunsysteem geldt een responstijd van bijvoorbeeld uren tot weken, voor het zenuwstelsel is dat (fracties van) seconden. Denk maar aan de snelheid van reageren die nodig is voor het besturen van  vlieg- en zwembewegingen.

Een systeem met korte responstijd reageert snel op uitdaging of stimulering; snelle adaptatie-responsen uiten zich in doelgerichte functie en doelgericht gedrag. Aanpassingen over lange tijdsperioden manifesteren zich in materiŽle  vormveranderingen. Denk aan aangepaste lichaamsbouw, eelt op de handen, botstructuur die zich aan de soort belasting aanpast in de loop van maanden/jaren. Het verschil tussen lichaam en geest is het verschil tussen een lange en een korte responstijd. Dat is het antwoord op een veel gestelde "grote vraag".

Informatie wordt tussen de aan elkaar grenzende kennis-zones doorgegeven in twee richtingen (in het schema hierboven is dat de tweerichting hiŽrarchie of dialoog genoemd). Een voorbeeld daarvan wordt uitgewerkt: de onderlinge relatie tussen lichaamsbouw (vorm) en temperament (gedrag). Andere toepassingen die we bespreken zijn de laagsgewijze opbouw van de menselijke persoonlijkheid, met inbegrip van het maatschappelijk systeem van morele waarden.

Een hoofdstuk is gewijd aan het verbaal aanpassings- en verdedigingssysteem dat zo kenmemrkend is voor de mens. De concentrische opbouw ervan geeft inzicht in diverse afwijkingen waaraan het spraak- en taalsysteem kan lijden. Het concentrisch model is een hulp bij diagnostiek en voorspelt dat vroege beschadiging tot geblokkeerde en vervormde ontwikkeling kan leiden. Een  veel voorkomende oorzaak krijgt aandacht: een opvoeding waarbij fysieke en verbale dwang en geweld worden gebruikt. Onder hulpverleners bestaat de neiging de ogen daarvoor te sluiten, om niet door problemen overspoeld te raken. We zullen onze tegenzin moeten overwinnen om de inhoud van Pandora's doos onder ogen te zien; alleen dan kunnen we het kwaad leren kennen en begrijpen, en de weg naar toekomstige preventie vrijmaken.

Tenslotte wordt een poging gedaan de lezer iets van het therapeutisch proces te laten ervaren, ook van de inspanningen van de kant van de patiŽnt die dat op gang moeten brengen.
Levende systemen zijn concentrisch gebouwd 

Communicatie is allereerst een daad van zelfbehoud: adequaat reageren op uitdagingen. De uitdagingen of stimuli die moeten worden beantwoord spelen zich af in uiteenlopende tijdschalen.

Ieder (sub)systeem waardoor een organisme met zijn omgeving communiceert werkt met een kenmerkend tijdspatroon waarin het stimuli herkent en beantwoordt. Ik stel voor dat we in iedere beschrijving de tijdschaal of het tijdvenster vermelden waarin het verschijnsel of proces zich afspeelt. A.L.Blumenthal (1977) is ons daarin met zijn beschrijving van het cognitieve proces voorgegaan.

Het individu heeft, in interactie met zijn omgeving, systeemlagen opgebouwd die dienen om zichzelf te handhaven: voedsel opnemen, stofwisseling, aanpassing/afweer, motoriek, neuro-endocriene (interne) communicatie, zintuiglijke waarneming, emotie, verstand en taal. De onderlinge samenwerking van de lagen die samen de concentrisch gelaagde mens vormen, is het onderwerp van dit boek.

Alles wat leeft communiceert met zijn omgeving, op velerlei manieren: door voedsel te zoeken, te proeven en te keuren, door gebaren te maken die aantrekken of afschrikken, door nectar of vergif af te scheiden. Het berichtenverkeer gaat in twee richtingen: een bericht roept een reactie op, waarop weer een respons volgt. Weerbaarheid begint met aftasten en evalueren van de omgeving: vergaren van kennis van wat kwaad kan en wat nuttig is. Die kennis stelt het organisme in staat zich op de juiste ogenblikken open te stellen voor voedende en vriendelijke bedoelingen, en af te sluiten voor giftige of vijandige intenties, sommige zaken te accepteren en andere te weigeren (af te wijzen), ja of nee te zeggen.
ZOALS EEN VERSTERKTE STAD
leeft binnen muren: weerbaar is, en poorten heeft: open staat / zich afsluit, 
Zo kan een mens zich open stellen en afweren
  Nee en Ja zeggen moet worden geleerd,
de kunst te leven is: goed te kiezen 
 

De mens staan drie systemen ter beschikking waarmee de keuze tussen afwijzen en toelaten wordt afgewogen en het resultaat wordt uitgevoerd:

1. het lymfoÔde of immuun afweersysteem, het lymfoÔde aanpassings en afweer systeem (LaaS)

2. het zenuwstelsel, het neurale adaptatie en afweer systeem (NaaS)

3. het taalstelsel, het verbaal adaptatie- en afweer systeem (VaaS).

Toen ik begon studie te maken van de leerprocessen die leiden tot uiteenlopende stoornissen in het spreken en het taalgebruik, kwam ik tot de ontdekking dat het taalstelsel naadloos aansluit op de andere systemen voor aanpassing en afweer. Het is zelf zo'n systeem. De eigenschappen, de mogelijkheden en het belang van taal zijn vanuit die visie goed te begrijpen. Communiceren met de buitenwereld door spraak en taal is een logische voortzetting van de lijn die door het immuunstelsel is ingezet en door het zenuwstelsel is gecontinueerd. Drie "lerende systemen", het lymfoÔde, het neurale en het taal-systeem, vertonen analogieŽn, die nog verder reiken dan ik aanvankelijk besefte. Elk van de drie bevat een deel van de kennis die een mens nodig heeft om zich te handhaven: kennis van de stoffelijke, de zintuiglijke en de symbolische wereld. Bij een pas-geboren kind zijn de drie systemen nog vrijwel "leeg" , in enkele jaren worden ze vol met "kennis" geladen. Die kennis ontstaat door leren, dat is de interactie van het genetisch systeem (dat het bouwplan van de soort bevat en een gevarieerd programma van vormen, functies en gedragingen genereert) met de individuele, actuele omgeving, die uit de mogelijkheden de best passende selecteert. Ook het genetisch systeem voor aanpassing en afweer (GaaS) is ontstaan via een leer-proces van variatie en selectie, maar de leer-episode heeft zich, ver over het individuele bestaan, uitgestrekt over een lange reeks van generaties.

We komen daarmee op vier weerbaarheidssystemen die in staat zijn, al lerend, kennis op te nemen: ťťn ten behoeve van aanpassing van de soort: het genetisch systeem, en drie voor aanpassing gedurende een enkel leven: het lymfoÔde, neurale en verbale of linguÔstische systeem. Onder leren versta ik: uitdagingen van het leven steeds beter beantwoorden op grond van vastgelegde ervaring. Nieuwsgierig geworden naar de manier waarop deze vier systemen hun kennis verzamelden heb ik me de vraag gesteld: wat is de essentie van het leerproces dat zich in vier structureel zo verschillende systemen afspeelt? Het antwoord blijkt te zijn: zelforganisatie en het daarop aansluitende proces van evolutie door variatie en selectie. In dit concept zijn nu deelgebieden met elkaar verbonden die in de universitaire onderzoekstraditie van elkaar vervreemd waren: linguÔstiek, gedragswetenschap en biologie. Deze "consilience" heeft geleid tot nieuwe inzichten die van nut zijn bij het oplossen van specifieke problemen in de deelgebieden.
COMMUNICATIE BESTAAT ZO LANG ALS HET LEVEN ZELF! 

De zoektocht naar de oorsprong van leren en van geheugen, begint bij het oudste leven. Dat kenmerkt zich door zelforganisatie en replicatie (vermenigvuldiging) , met behoud van eigenheid (identiteit). In de levenloze natuur zien we voorbeelden van zelforganisatie als we naar gedragingen kijken die lijken op leven. De regelmatige rimpelingen op het wateroppervlak ontstaan door de wind die erlangs strijkt en door weerkaatsing tegen de oever; zij zijn korte tijd stabiel en vertonen een veranderend patroon, telkens als er een vlaag wind uit een andere hoek komt. Zowel de draaikolken als de rimpelingen zijn een geordende toestand in dynamisch evenwicht. De chaotische beweging is voor even ontsnapt aan de chaos, maar omdat hij er nog dichtbij staat is er geen verstarring en volgen de waterpatronen gewijzigde omstandigheden op de voet. Ze vormen een vereenvoudigd model van leven, dat variatie kent en zich aanpast.

GEORDEND GEDRAG
is een overgangsfase tussen stabiliteit en chaos

  • stabiliteit is star, kent geen variatie, geen aanpassing
  • chaotisch gedrag kent geen ordening, geen selectie, geen geheugen

in de overgangsfase heerst een dynamisch evenwicht tussen beide

Het patroon van wind-rimpeling op het water, van zand-ribbels in de kreken op het strand bij eb, melodieuze geluidsgolven als de wind fluit of een raam piept, het zijn voorbeelden van de natuur die orde schept uit chaos.
COMPLEXITEIT MAAKT ORDE UIT CHAOS, en is de kraamkamer van onvoorzien gedrag van systemen
  • complexiteit is het gevolg van interactie van samenstellende delen
  • de interactie heeft plaats in de smalle marge tussen verstarring en chaos, de twee toestanden waarin van interactie geen sprake is

Een discussie is gaande over het allereerste verschijnsel van leven: is het herkenbaar aan een regelmatige vorm, aan een mate van chemische complexiteit of aan een tijd-patroon van groei en ontwikkeling? Hoe de eerste syntheses van zelf-replicerende systemen hebben plaats gehad is het onderwerp van speculatieve theorieŽn: eiwit- en lipoidmembraan-afgietsels op zwavel-pyriet verbindingen (G.Waechtershauser) of onafwendbare gebeurtenissen in een soep van aminozuren. In ieder geval heeft complexiteit een rol gespeeld, complexiteit in zijn voor chaotische systemen geldende betekenis. Complexiteit is niet identiek aan de eigenschap van leven, maar het ontstaan van leven is een van de gevolgen van complexiteit.

LEVEN IS ONVERMIJDELIJK,
het ontstaat op de grens tussen starheid en chaos

  • complexiteit brengt patronen en geheugen aan in chaotische systemen
  • chaos brengt variatie in patronen die dreigen te verstarren

De eerste stofwisseling was het gevolg van een gelukkig samengaan van moleculaire structuren die elkaars mogelijkheden, bijvoorbeeld het aantrekken en omzetten van fosfaatverbindingen, benutten. In een latere fase werden, door een intense symbiose, kleine micro-organismen in grotere ingelijfd. Eenmaal in elkaar opgegaan, profiteren beide van de toegenomen complexiteit: een stap vooruit op de ladder van de evolutie. Zolang het grote organisme afhankelijk is van het functioneren van de kleine, hoeft de laatste zich geen zorgen te maken over het handhaven van een goed leefmilieu voor zichzelf. Daar zorgt de grote voor.

Aangroei, het opnemen van nuttige elementen uit de omgeving, is een van de manieren waarop een organisme in complexiteit toeneemt. Een andere manier is variŽren en verfijnen van eigen componenten. Een ontwikkelingsstap komt uit de "experimentele fase" als geslaagd te voorschijn als het resultaat nuttig is geweest voor het overleven. Evolutie, evenals ieder ander leerproces, ziet niet om en niet vooruit, maar schept voor het hier en nu.
LEVEN IS ZELF-ORGANISATIE
evolutie is het leerproces bij uitstek
  • in wisselwerking met de omgeving ontluikt een nieuw systeem
  • het verbetert door variatie en selectie
  • en groeit naar groter complexiteit

Een systeem dat in dialoog is met de omgeving organiseert zichzelf. Als er aanpassing van een systeem wordt gevraagd (uitdaging of stimulus) reageert het daarop met variaties van gedrag (respons). De meest nuttige variant wordt door de omgeving bekrachtigd en in het geheugen vastgelegd. Uit de transactie is een nieuwe proces-laag ontstaan rondom de kern van het systeem. De kern kan op de eisen die het milieu stelt door de nieuwe tussenlaag een meer gedifferentieerd antwoord geven. 
De synthese die het gevolg is van een uitdaging (verwachting) en een respons (antwoord) daarop, wordt ook synergie genoemd. Synergie betekent dat de dialoog is geŽindigd in een verzoening tussen het systeem en zijn omgeving. Het levert voordeel op aan twee kanten, doordat beide kanten selectief informatie van (en over) elkaar hebben opgenomen, waarna de complexiteit is toegenomen (de organisatie naar een hoger plan is getild). Iedere nieuwe proceslaag is weer een schil erbij, en dit verklaart de concentrische opbouw.
OPBOUW IN LAGEN :
HIňRARCHIE IN TWEE RICHTINGEN
Iedere laag heeft voortdurende transacties met de aangrenzende lagen: die vormen zijn "omgeving"
 

De "commando structuur" is een twee-richting hiŽrarchie:
de kern schept keuze-mogelijkheden, daaruit kiezen de omringende subsystemen (lagen) het meest aan de situatie aangepaste antwoord

Wat ter kennis komt van de buitenste laag wordt zoveel mogelijk ter plaatse verwerkt. Alleen als het bericht ingrijpend is wordt het aan diepere lagen doorgegeven (centripetaal informatie transport). Daar wordt het vergeleken met bestaande standaarden, en dat lokt een respons uit die het evenwicht herstelt.

Een algemene beschrijving van transactionele ontwikkeling kan volgens E.Rubenstein betrokken worden op alle fasen in de evolutie.

DE SCHEPPING IS EEN LEER-PROCES IN FASEN
De evolutie van de cosmos en het leven op aarde

  • 1e fase: na de "Big Bang" hebben atoomdeeltjes geleerd zich als elementen te handhaven
  • 2e fase: moleculen hebben uitgevonden hoe zich tot complexen te verbinden
  • 3e fase: competitie van organismen heeft voor een rijkdom aan soorten gezorgd
  • 4e fase: het mensdom leert nu aan een culturele evolutie vorm te geven

 DARWIN'S EVOLUTIE IN EEUWEN, UREN EN SECONDEN

Processen zoals die zich aan het begin van het leven hebben afgespeeld duren nog altijd voort. Er is geen reden om aan te nemen dat het ontstaan van nieuw leven op een bepaald moment een einde zou hebben genomen, gezien de gevarieerde omstandigheden die in de levende en dode natuur op aarde en op de bodem van de oceanen heersen. Dat daarbij nieuwe en oorspronkelijke vormen ontstaan kan nuttige gevolgen hebben voor de verscheidenheid van de natuur, maar ook kan het voor een individueel bestaan bedreigend of dodelijk zijn. Zijn afweer kan niet opgewassen zijn tegen een onbekend nieuw antigeen. Geheel analoog aan de "grote" biologische evolutie hebben in het klein allerlei evoluties plaats die zich in kortere tijdschalen afspelen. Zowel voor grote als voor kleine evoluties geldt dat leren een proces is van variatie en selectie. Dat cruciale leerprincipe is inzichtelijk geworden toen het ontstaan van immuniteit voor infectie bij dier en mens begrepen werd. N.K.Jerne heeft dat samengevat in een artikel : Antibodies and learning: selection versus instruction (1967).

Enige jaren later brak het idee door dat het centrale zenuwstelsel wel eens op dezelfde manier aan zijn kennis van de wereld zou kunnen komen (G.Edelman). In de twee lerende systemen, het lymfoÔde en neurale, zien we analoge processen van kennis-verwerving. De cel-soort of het netwerk genereert, na uitgedaagd te zijn, gevarieerde responsen, de omgeving bekrachtigt selectief de meest passende respons. Het resultaat is: aan de omgeving aangepaste kennis. Ook in de psychologische wereld is selectieve bekrachtiging als onderdeel van het leerproces is in grote delen van doorgedrongen, "instructie" speelt een geringere rol.

B.Goodwin heeft een gedurfde conceptuele sprong gemaakt door de soort-eigen cognitie, die in de evolutie is verworven, op ťťn lijn te brengen met de cognitie van het immuunsysteem en de cognitie die het denken beheerst. De drie liggen in elkaars verlengde wat hun tijdschaal betreft:

Het immuunstelsel biedt na een leerperiode een afspiegeling, een volledig inwendig beeld, van de stoffelijke omgeving : voedingsbestanddelen, virussen, bacteriŽn, alles wat antigene eigenschappen heeft, staat in het geheugen. Ook de eigen lichaamseiwitten staan geboekt, onder het etiket "eigen". Nu is dat allerminst een statisch archief : de populaties van alle bij immuniteit betrokken stoffen oscilleren en het netwerk verkeert in een dynamisch evenwicht. Juist daardoor is het mogelijk alert op een specifieke infectie te reageren en efficiŽnt de ziektekiemen op te ruimen. Aan het netwerk dat de samenstellende delen van het immuunsysteem met elkaar verbindt kan men inspiratie ontlenen voor een goed begrip van de werking van het zenuwstelsel. De golf van activiteit die zich door het immuunstelsel voortplant na het waarnemen van een antigeen, is analoog aan de aandachtsgolf in het neurale systeem als iets nieuws of relevants wordt waargenomen. Het neurale netwerk is drager van zintuiglijke kennis, ervaringskennis en ook zelfkennis (lichaamsschema, self-concept, cognities, attitudes en levensverhalen). Een netwerk van gekoppelde oscillaties, en met elkaar samenhangende molecuul- en celpopulaties gaat onze verbeeldingskracht te boven. Om ons daarvan een voorstelling te kunnen maken moeten we onze waarneming oefenen op een eenvoudiger organisme.

CHEMISCHE COMMUNICATIE

Leven is communiceren: met aanpassen/verdedigen reageren op uitdagingen van de omgeving. Eenvoudige levende systemen, nog niet gespecialiseerd in het verzamelen van kennis, weten zich niettemin met grote vindingrijkheid aan te passen in een deels vriendelijke, deels vijandige omgeving. De levenscyclus van Dictyostelium discoides, een eencellige, illustreert hoe cellen met elkaar communiceren. De cellen die onderling gegevens uitwisselen maken gebruik van chemische communicatie; zo is het altijd geweest en zo werkt het nog steeds. Een bericht dat wordt uitgezonden is het cyclisch adenosine-monofosfaat (cAMP). Het wordt als er een tijd van droogte aanbreekt afgescheiden door cellen van een amoebe-kolonie en trekt dan andere cellen aan; het veroorzaakt aggregatie van de cellen. De boodschap luidt: kom hierheen, en de respons is een "saamtrek". De veranderde omstandigheden geven aanleiding tot de vorming van fosfodiesterase, een enzym dat het cAMP afbreekt. Dat schakelt de aggregatie-boodschap uit. De opbouw van cAMP wisselt af met afbraak. Daardoor lopen opeenvolgende golven, die de boodschap dragen, door het medium. De concentratie van cAMP is aan een voortdurende oscillatie onderhevig; die trilling is een drager van informatie. De snel fluctuerende aanmaak en afbraak van de berichtende stof maakt een prompte en verfijnde regeling mogelijk.

De beurtzang van cAMP en zijn tegenspeler geeft signalen aan de cellen van een kolonie. De betekenis van die signalen verandert met de context. Voor losse cellen was het bericht een oproep tot aggregatie of cohesie. Als ze eenmaal vast tegen elkaar zitten veroorzaakt de cAMP-golf die door het conglomeraat loopt afwisselend contractie en loslaten; daardoor beweegt de "slak" zich voort. Naarmate de uitdroging zich voortzet vormt zich aan de slak een uitsteeksel met sporendragers. Dit is het werk van hetzelfde cAMP, maar in nu de context van een vast lichaam. De aanvankelijk vochtige kolonie is nu gereed om een periode van droogte te overleven. (Stan Marťe 2000)

CHEMISCHE OSCILLATIES VORMEN HET NETWERK VOOR DE INTERNE COMMUNICATIE

Voor hun stofwisseling putten de cellen van organen en systemen doorgaans uit dezelfde bron van grondstoffen; daardoor hangen ze met elkaar samen en beÔnvloeden ze elkaars bestaanscyclus. Chemische oscillaties zijn het gevolg van die onderlinge betrokkenheid, die gelijkt op een roofdier-prooi relatie. De aantallen roofdieren en de aantallen prooidieren zijn van elkaar afhankelijk, de schommelingen zijn niet met elkaar in fase. De gekoppelde oscillaties vormen een netwerk door het hele organisme en zijn er de oorzaak van dat vorm zich ontwikkelt, functie wordt uitgeoefend of bepaald gedrag zich manifesteert. In het voorbeeld van Dicteostyleum werden vorm, functie en gedrag door het oscilleren van eenvoudige stoffen bestuurd, bij hoger gedifferentieerde levensvormen neemt de complexiteit toe, maar het principe blijft hetzelfde.

J.Pringle heeft het koppelen van niet-lineair oscillerende systemen tot netwerken ontdekt als het principe dat ten grondslag ligt aan leren. Het idee is door W.H.Thorpe overgenomen, en door B.Goodwin en S.Grossberg verder uitgewerkt.
VORM EN FUNCTIE
Ontstaan van vorm (morfogenese) en ontstaan van gedrag (leren) zijn aanpassingen in verschillend tempo
  • Chemische oscillaties met lange perioden geven vorm aan een embryo
  • Snelle oscillaties in een zenuw-netwerk besturen een gedragspatroon

De ervaringskennis die het genetisch systeem in de evolutie heeft opgedaan, heet het lichaamsbouw-geheugen. De volgende voorbeelden maken duidelijk waarom dit door B.Goodwin cognitie is genoemd De vleugels van vogels zijn tot hun huidige vorm geŽvolueerd om van optimaal nut te zijn bij het voortbewegen door de lucht. Zoals de vogelvleugel langs een lange weg kennis heeft vergaard van de eigenschappen van lucht en zwaartekracht, zo is in de opbouw van een staartvin van een vis cognitie vastgelegd van hetgeen nuttig is om een vis voort te bewegen: de viscositeit en het soortelijk gewicht van het water zijn erin verwerkt.

De begrippen kennis en cognitie zijn dus even goed van kracht voor organismen als voor het menselijk bewustzijn. Daardoor wordt aan een bestaand begrip een legitieme uitbreiding van zijn betekenis toegekend. Het grote voordeel is dat diverse verschijningsvormen van kennis en cognitie op ťťn lijn worden gebracht. De kennis die in het evolutionaire tijdraam is verzameld, verschilt niet principieel van die welke in de tijd van leven van het individu is opgenomen. Een ander voordeel kan zijn dat onderzoekers, die menen dat het in kaart brengen van cognitie in neuropsychologische termen voorlopig te hoog gegrepen is, een vruchtbaar werkterrein vinden in de zojuist besproken biologische aspecten van cognitie.
IEDER ORGAAN WORDT IN DE EVOLUTIE DRAGER VAN COGNITIE en heeft zijn bijzondere kennis opgedaan in een serie transacties met de omgeving,

Cognitie is een product van alle responsen op uitdagingen, door de omgeving gesteld
Cognitie maakt zich kenbaar in vorm en functie, die beide de relevante eigenschappen van de omgeving weerspiegelen

 VARIATIES IN OVERLEVINGSSTRATEGIE

Het lichaamsgeheugen bewaart de gegevens van vorm en functie van organen, en ook die van instinctieve gedragspatronen. Dat zijn neigingen, primaire motieven en aangeboren vaardigheden die nuttig zijn voor het overleven. Die kennis is bij de geboorte in aanleg aanwezig en wordt door leerervaringen gerealiseerd. In de dierenwereld zien we een grote variatie in overlevingsstrategieŽn: vogels hebben het luchtruim gekozen, roofvogels zijn tegelijk licht en sterk en hebben een scherp gezichtsvermogen, andere dieren zoeken de veiligheid in holen in de grond, sommige kruipende insecten beschermen zich door vergiften af te scheiden. Tussen mensen onderling bestaat enige variatie in weerbaarheidsstrategieŽn. De persoonlijke stijl van communiceren met de omgeving hangt samen met verschillen in aanleg voor een bepaalde lichaamsbouw en het bijbehorende  gedragstemperament. 
LICHAAMSBOUW EN GEDRAGSVOORKEUR
Lichaamsbouw is een erfelijk aangepaste levens-strategie

Kenmerken van de lichaamsbouw worden genoemd naar de dominante kiemlagen:

  • endomorfie (pycnische bouw)
  • mesomorfie (athletische bouw)
  • ectomorfie (leptosome bouw)

Dat mensen ongelijkheid zijn en verschillen in lichaamsbouw en temperament kan niemand ontgaan, maar de kenmerken zijn pas goed in kaart gebracht door W.H.Sheldon. Met behulp van zijn meet-schalen is aangetoond dat kenmerken in de lichaamsbouw globaal correleren met temperaments eigenschappen (dat zijn persoonlijkheids-trekken die over lange tijd constant blijven).
LICHAAMSBOUW CORRELEERT MET LEVENSSTIJL
Het temperament past bij het lichaamstype

Kenmerkende eigenschappen van de drie hoofdtypen:

  • de endomorf : sociaal en coŲperatief ingesteld
  • de mesomorf : een overheersend doe-type
  • de ectomorf : gevoelig, beschouwelijk 

De ongelijkheid van lichamelijke en geestelijke aanleg komt ook tot uitdrukking in neigingen tot verschillende vormen van spiritueel leven en culturele voorkeuren (C.Morris 1956). Hoewel de individuele keuzevrijheid groot is, zijn aanlegfactoren wel degelijk van invloed op die keuzen.
LICHAAMSBOUW EN HET SPIRITUELE LEVEN
Temperamentstypen vertonen een samenhang met levensbeschouwelijke voorkeur
  • Dionysisch : neiging om aan genotzucht toe te geven
  • PrometheÔsch : neiging de wereld te verbeteren en naar zijn hand te zetten
  • Boedistisch : neiging om zichzelf te matigen en verlangens te beheersen

Uit een oogpunt van socialisering, het inpassen in de samenleving, zijn aan iedere aanleg positieve en negatieve kanten te onderkennen. Genotzucht wordt in evenwicht gehouden door sociale belangstelling, daadkracht is de positieve tegenhanger van de neiging te overheersen, en de neiging zich af te zonderen komt voort uit een gevoelig waarnemingsvermogen, dat voor de gemeenschap van groot nut is. In de opvoeding gaat het erom de aanleg te onderkennen en in goede banen te leiden. Vreemd genoeg vindt de somatotypering vrijwel alleen toepassing in de sector lichamelijke oefening en sport, en sinds kort ook in de kleding industrie. De sociale wetenschappen, met name de pedagogiek, hebben weinig belangstelling getoond. Een voorbeeld is K.E.Boulding. In "Ecodynamics" (1978) onderscheidt hij drie organiserende principes in de samenleving: het Ruilsysteem, het Machtssysteem en het Integrerende systeem. Deze ontplooien in verschillende proporties hun werking in menselijke instellingen en bedrijvigheid. Aan elk van de drie componenten kan men rang en status ontlenen: Rijkdom, Macht en Heiligheid. Boulding merkt op dat hij geen parallel hiervan in de natuur heeft gevonden. Hij is blijkbaar niet van Sheldon's werk op de hoogte, maar het pleit voor hem dat hij heeft aangevoeld dat zoiets fundamenteels zijn wortels in de natuur moet hebben.

Sheldon en medewerkers verklaren de variatie in somatotypen en temperamentstypen door de relatieve invloed van de embryonale kiemlagen op de uiteindelijke bouw en functie van lichaam en geest. De kiemlagen vertonen een taakverdeling die al in ongewervelden wordt gezien:

Elk van deze drie kan het zwaartepunt zijn van een aanpassings- en verdedigingsstrategie. Dat geldt voor individuen en voor groeperingen binnen de samenleving. In de samenwerking tussen verschillend georiŽnteerde varianten ligt het individuele en maatschappelijke nut. Over de Staat als levend organisme heeft Plato (400 v.C.) het volgende beeld ontworpen, dat overeenkomt met de organisatie-pincipes volgens K.E.Boulding:

CONCENTRISCHE OPBOUW

Zo vinden we in de opbouw van de menselijke samenleving volgens Plato en Boulding iets terug van de elementaire driedeling in de organisatie van ongewervelden. Ook in de concentrische opbouw van de hersenen herkennen we het patroon van de evolutie (Yakovlev 1948). In verschillende lagen van de midden- naar de voorhersenen zijn, van binnen naar buiten, de volgende functies gelokaliseerd:

Vanuit het midden van de hersenen naar het oppervlak toe vindt men achtereenvolgens de substraten van niet-flexibele gedragspatronen via de half-willekeurige tot de grootst mogelijke flexibiliteit (Altmann 1966, McLean 1975, Oliverio 1978):

Het rijpen en leren van het zenuwstelsel begint in het caudale (staart) deel van de hersenstam en verloopt in de richting van het hoofdeind. Iedere volgende laag is meer gedifferentieerd en omhult de voorafgaande. Wil de concentrische opbouw goed als een geheel functioneren, dan dienen elementaire vaardigheden in de voorafgaande laag goed geoefend te zijn voordat een appŤl wordt gedaan op de volgende laag. Zo kan bijvoorbeeld een onvoldoend ontwikkelde kruipmotoriek (gekruiste innervatie, oog-hand coŲrdinatie) later aanleiding geven tot lees- en schrijfstoornissen. Dezelfde regel van "bouw op stevige grond" geldt voor de groei van de persoonlijkheid, die in het volgende kader wordt samengevat.

DE GELAAGDE PERSOONLIJKHEID
Het vermogen tot aanpassen en weerbaarheid groeit in lagen

  • bewust worden van eigen identiteit
  • intimiteit aandurven, vertrouwen in anderen
  • omgaan met emoties, zelfvertrouwen
  • sociale transacties zonder zelfbedrog ("game-free")
  • creativiteit en wil tot uitvoering
  • niet vertekende cognitie van de wereld en zelf-expressie

De zones of lagen van de persoonlijkheidsopbouw communiceren intensief met elkaar, en wel in beide richtingen: van binnen naar buiten en omgekeerd. Een zwak ontwikkelde identiteit, een onvermogen tot intimiteit maken het moeilijk te voldoen aan normale eisen die het leven stelt. Het gevolg kan zijn het terugvallen op primitieve verdedigingslijnen (regressie) zoals zich in zichzelf terugtrekken, een toestand van hulpeloosheid, maar ook van agressie. Men komt dit tegen bij autisme, schizofrenie, borderline persoonlijkheid. Deze toestanden gaan gepaard met een onvermogen zich in de wereld te kunnen uitdrukken. Dat wil zeggen mee te helpen vorm geven aan die wereld, zijn stempel erop te drukken, te maken dat men er zich goed thuis voelt. Het gebruik van taal maakt dat op allerlei manieren mogelijk; daarom is het een ernstige handicap als de taalfunctie geheel of gedeeltelijk niet beschikbaar is, of misbruikt wordt voor misleidende manipulaties die de samenleving verstoren.

TAAL IS EEN AANPASSINGS- EN VERDEDIGINGSSYSTEEM

Over het ontstaan van de taalfunctie in de menselijke evolutie bestaan boeiende theorieŽn. Het op twee voeten zich voortbewegen (bi-pedalisme) heeft de handen vrijgemaakt voor het dragen van een kind, voedsel, een takkenbos, een wapen. Met de handen vrij kreeg de voorloper van de mens de beschikking over een groot aantal gebaren en kwam de symbolische betekenis van het gebaar in gebruik. Begeleid door gearticuleerde stemklanken kon de gebarentaal uitgroeien tot een klanktaal. Het is opmerkelijk dat bij twee elementaire intermenselijke transacties nog altijd de vocale boodschappen met grote armgebaren gepaard gaan: het begroeten en verwelkomen en het afscheid nemen of uitzwaaien. Bij de tegengestelde transactie is dat evenzeer het geval: bij het weigeren van de toegang, wegsturen of verjagen spreken de handen en voeten.

In de eerste vier levensjaren vergaart een kind al veel kennis van de wereld, onder andere via taal. Terwijl het lichaam leert de stoffelijke omgeving te hanteren (immuunafweer en weerbaar gedrag) neemt door sociale wisselwerking de kennis van de menselijke omgeving toe. Het kind voert denkbeeldige dialogen in het eigen hoofd (= denken). Is het iets van plan, dan kan het proberen anderen met woorden te overtuigen, en tot medestander van zijn zaak te maken. Met praten en luisteren toetst het zijn kennis en inzichten aan die van anderen. Verbale communicatie is indrukwekkend, maar even krachtig zijn de non-verbale uitdrukkingsmiddelen, zoals lichaamshouding, beweging, gebaar, stemtoon, en gelaatsuitdrukking. Mimiek en gebaren bevatten codes die voor de goede verstaander vaak genoeg zijn om de gedachten van zijn medemensen te lezen. Lichaamstaal is vaak onbewust en werkt rechtstreeks, terwijl gesproken taal bedrieglijk kan zijn en royaal wordt gebruikt om te misleiden en zaken te verbergen : als de gesproken boodschap niet overeenstemt met de non-verbale codes, is de luisteraar geneigd de lichaamstaal te vertrouwen.

We wonen in onze taal als in een versterkte stad. Sommigen aanvaarden vrijwillige beperking van geestelijke bewegingsvrijheid door het nieuwe en vreemde af te wijzen en zich bij een armoedig woordbezit neer te leggen en geen andere taal te leren. Anderen stellen zich open voor literatuur, begeven zich buiten hun eigen beperkingen en laten nieuw en onbekend cultuurgebied toe. Ze nemen dat op in hun vertellingen aan zichzelf en anderen. Het nieuwe en vreemde wordt eigen en vertrouwd, het verwerft zich blijvend een plaats in het weefsel van het denken. De functie van taal is, geheel analoog aan de functie van het immuunstelsel, om kennis van de wereld op te doen, te bewaren en te gebruiken als de situatie erom vraagt.

Door een subjectief vertekende interpretatie kan iemands voorstelling van de wereld hemelsbreed verschillen van de voorstelling die een ander ervan heeft. Gedachten zijn gekleurd door de persoonlijke herinnering aan een ervaring en aan de emotie waarmee deze gepaard ging. Zo'n ervaring is verankerd in een diepe herinneringslaag waardoor de veel gedachten zijn verbonden met aantrekkelijkheid of afkeer, angst, dreiging of (verboden) begeerte. Er zijn maar weinig echt neutrale gedachten; aan de meeste hangt een gevoelsetiket dat tevens een waardeoordeel is. Etiketten en oordelen zijn voor verandering vatbaar; dat is niet altijd eenvoudig maar de praktijk van gedrags- en cognitieve therapie heeft er de middelen voor.

TALEN LEVEN

Een taal bestaat als hij door mensen wordt gebruikt. Maar de binding van taal aan een groep mensen is los genoeg dat een taal min of meer een eigen leven leidt. Taal is een levend systeem dat in een menselijke omgeving gedijt:

In een episode van 50 jaar kan men een taal zien veranderen. Een persoon heeft daarop gedurende zijn leven enige invloed: soms past men zich aan, soms zet men zich af tegen de omgeving. In de taal die in bepaalde vakgebieden gebruikelijk is kunnen op korte termijn veranderingen optreden. Andere vakgebieden leveren nieuwe begrippen en uitdrukkingen aan; er is een sociale druk die de selectie bepaalt.

Wegens de opvallende gelijkenissen gebruiken we taal en spraak ook als metaforen voor de biologische communicatie tussen systemen, organen, organismen. De ontstaansgeschiedenissen van het lymfoÔde, neurale en linguÔstische systeem blijken in grote lijnen parallel te lopen. De pathologische verschijnselen van de communicatie in die drie systemen vertonen een treffend parallellisme. Besproken worden in het boek de (habituele) regressie, de overeenkomst tussen allergie en neurose en de zin van semantische therapie.

De lymfoÔde, neurale en verbale systemen voor aanpassing en afweer fungeren als interface waarmee de betrekkingen tussen de mens en zijn onmiddellijke omgeving worden geregeld. Een interface zet de ene vorm van een bericht om in een andere. Het immuunstelsel bijvoorbeeld "verstaat" het antigeen dat het heeft opgespoord. Het heeft ook verstand van antigenen in het algemeen en kan daardoor de meeste antigenen plaatsen (herkennen en evalueren). Een antilichaam herkent zijn antigeen aan de kenmerkende moleculaire vorm. Aan de andere kant van het lymfoÔde netwerk praat het immuunstelsel met het neuro-endocriene stelsel en met fysiologische systemen, en oefent het invloed uit op de evenwichten die vitale functies regelen, zoals het waterevenwicht, bloeddruk, bloedstolling en stofwisseling. Zonder de tussenkomst van het lymfoÔde netwerk zou de werking van het antigeen die vitale functies verstoord hebben. Nu wordt de schok opgevangen zonder schade aan de beschermde delen van het organisme toe te brengen. De schok zet een kortstondig leerproces in werking dat resulteert in een verbeterde aanpassing.

Op dezelfde manier vangt het gebruik van spraak en taal de schokken op in het tussenmenselijk verkeer. Een responsketen kan bijvoorbeeld zo verlopen:
je maakt kennis    
leert elkaar kennen    
onderneemt iets samen    
raakt bevriend of je gaat uit elkaar
raadpleegt elkaar   spreekt niet met elkaar
vertrouwt elkaar zaken toe   wantrouwt elkaar
vormt een gemeenschap met vrienden   laat elkaar links liggen
brengt in samenwerking dingen tot stand   het contact is onvruchtbaar gebleven 

Het gebruik van taal maakt het mogelijk af te tasten, overeenkomsten en verschillen te herkennen, aantrekkende en afstotende eigenschappen op te sporen. Dit alles ook zonder het gebruik van reuk of tastzin, en zonder dat het tot botsingen hoeft komen.

Nu we weten dat mondelinge en schriftelijke taal functioneert als interface begrijpen we beter onder welke voorwaarden dit functioneren tekort schiet. Aan de ene kant van het netwerk zit een spreker, aan de andere kant een luisteraar. Je zou dus denken dat die twee dezelfde taal spreken. Het interface proces geeft juist aan dat er een vertaling van de spreker naar de gesprekspartner en omgekeerd plaats heeft. Wie zich daarmee bezig houdt ziet iets van de ware aard van het verbale netwerk: de dubbelzinnigheid, de flexibiliteit, en iets van chaos die de taal levend houdt en doet evolueren. De General Semanticists hebben daar sinds de jaren '30 reeds veel studie van gemaakt. Zij hebben onderwijsprogramma's voor scholen ontwikkeld om te voorkomen dat door onzorgvuldige betekenisinterpretatie de mentaliteit van de samenleving wordt vergiftigd: taalhygiŽne niet als spelletje maar als serieuze profylaxe tegen schadelijke vooroordelen. Deze beweging heeft veel voortgebracht dat zijn waarde bewijst in therapie, organisatiekunde en (sociaal) educatieve projecten : Neurolinguistisch programmeren (NLP), Rationeel emotieve therapie (RET), Semantische analyse, Narratieve therapie en andere.

TAAL EN DE WERKELIJKHEID

Het is eerder ter sprake geweest: alle vier de kennis- en weerbaarheidssystemen voeren hun transacties met de omgeving uit met behulp van een twee-richtings hiŽrarchie. De omgeving wordt afgebeeld in het individu, en omgekeerd bewerkt het individu zijn omgeving. Zo bewerken mensen hun omgeving veelal met behulp van taal. Heel concreet gebeurt dat in de vorm van menselijke transacties. Als iemand , naar zijn gevoel, daarin wanhopig tekort schiet kan hij door angst gedreven ertoe komen onwerkelijke omgevingsvoorstellingen te scheppen (het gebeurt b.v. bij de borderline persoonlijkheidsstoornis).

Therapie door taal kan een cognitieve herstructurering nastreven. Cognitie reikt tot diep in de emotionele regulatie en de daarmee gepaard gaande lichamelijke reacties. Een goede therapeut is zich ervan bewust dat verbale transacties die zich in de buitenste schil afspelen alleen blijvend effect sorteren indien ze veranderingen in alle lagen van de persoonlijkheid teweeg brengen. Daartoe worden non-verbale, lichaamsgerichte oefeningen in het programma opgenomen. Na een gelukte desensibilisatie voor de angstwekkende elementen in de omgeving vindt de patiŽnt de moed tot verandering. Een therapeut zal zijn empathie gebruiken om een eind mee te gaan met de pathologische voorstelling van zaken, en dat afwisselen met grenzen te stellen en de persoon door overreding tot andere gedachten te brengen, o.a. door hem uit te nodigen de confrontatie met de werkelijkheid aan te gaan. Een van de valstrikken voor de therapeut is dat hij zich te ver laat meenemen in de begrensde en vertekende wereld van de patiŽnt. Door van tijd tot tijd daarbuiten te gaan staan, moet hij de verborgen doelen ontdekken waardoor de patiŽnt het beeld van zijn wereld zo beperkt (die latente motieven zijn goed beschreven in de Individuele-Psychologie volgens A.Adler/R.Dreikurs/T.Schoenaker en in de Transactionele Analyse volgens E.Berne/C.Steiner) .

De therapeut hoort het levensverhaal aan zoals het door de patiŽnt wordt gebracht. Door een andere lezing ervan te geven, geeft de therapeut zicht op een nieuw levensverhaal. Geduld is geboden: de patiŽnt wil zich in de eerste plaats gekend en begrepen voelen. Maar dat betekent niet dat het drama dat de patiŽnt heeft gesponnen intact blijft. Er komt een moment dat de therapeut zich ervan losmaakt en voor aanvullingen zorgt die de patiŽnt ertoe brengen de wereld in een andere context te zien. Op dat moment is de vertrouwensband belangrijk: de patiŽnt moet zich krachtig gesteund weten als hij het besluit neemt onaangename opgaven onder ogen te zien. Een therapeutische groep kan de rol van vertrouwenspersoon vervullen. Hij kan confronterende duidingen aandragen, en erop staan dat die worden overwogen. De patiŽnt die probeert met "games" zich daaraan te onttrekken krijgt het niet gemakkelijk. Daarentegen wordt hij ruim beloond met positieve aandacht en bemoediging als hij de uitdaging aanneemt. 

Een therapie-episode is een tijd van geestelijke groei en aanpassend leren. Het gaat niet vanzelf: alle bestuurslagen hebben een neiging om de oude toestand te handhaven. Een streven om die te veranderen stuit niet zelden op weerstand. Enerzijds is er de wens om te veranderen, anderzijds verzet zich een dieper niveau daartegen. Daar speelt zich een motivatie-conflict af. Om dit op te lossen gaat de therapeut samen met de patiŽnt op zoek in opeenvolgende lagen van de concentrische mens. Als de oorzaak van het conflict is gevonden werkt men samen naar een oplossing. Die kan bestaan in het verzoenen van schijnbare tegenstrijdigheden die op een dieper niveau met elkaar in overeenstemming worden gebracht (E.de Geus, 2002). 

STEMEXPRESSIE

In de stemklank komen verscheidene lagen van de persoon tot uitdrukking. Aan de stem is veelal te horen of de bezitter ervan stevig in zijn fundamenten staat of wankelmoedig van aard is, of hij/zij een warme of kille persoon is, verbeeldingskracht heeft of fantasieloos is, flegmatisch of emotioneel. Sterke gemoedsbewegingen van korte duur en gevoelens die over langere termijn de persoon beheersen hebben invloed op de stemkwaliteit. Veel stemstoornissen komen voort uit agonistische responsen (nood reacties), die met de stemfunctie interfereren: staccato ademhaling, knijpen met de keel, wanneer men bijvoorbeeld tegen zijn zin in een onderworpen positie wordt gebracht. Onverenigbaar met ontspannen stemgeving zijn: ingehouden woede, diepe verontwaardiging, afkeer, angst.

PatiŽnten met stemklachten zijn zich dikwijls niet bewust van de invloed van affect en emoties op de stemfunctie. De oorzaak van die onwetendheid is ontkenning: ze willen niet weten dat de emotie hen in de greep heeft. Het heeft dan ook meestal geen zin een consult af te sluiten met dit verband te onthullen. Tijdens de erop volgende behandeling laat men het de patiŽnt zelf ontdekken.

SPREKEN EN TAALGEBRUIK

De aanleg om taal goed te leren gebruiken is grotendeels aangeboren, en die aanleg is onder de mensen ongelijk verdeeld. Maar ook in de opeenvolgende fasen van individuele spraak/taal ontwikkeling kan er van alles mis gaan. Die fasen zijn

  1. de groei van spraakorganen en bijbehorende hersencentra,
  2. maturatie die zenuwcentra gereed maakt voor de volgende fase, die van het leren
  3. leerervaringen van verschillend type: conditionering, door associatie en naar voorbeeld

Wanneer de individuele spraakcentra zich ontwikkelen is de vroegste omgeving die selectiedruk uitoefent de moederschoot. Omdat gebleken is dat die invloed meetelt, is er onderzoek gaande over de effecten van o.a. hormoonconcentraties en immuunfactoren op het zich ontwikkelende foetale neurale systeem.

DE AANLEG VOOR TAAL IS ONGELIJK VERDEELD
Een zwakke aanleg voor een of meer onderdelen van de spraak/taal functie leidt tot broddelen:
 

  • een slechte controle over ritme en tempo
  • gering onderscheidingsvermogen voor uitspraak-kenmerken
  • zwakke zinsbouw, onlogische woordvolgorde, verward denken

OMGEVINGSDRUK IN HET GEZIN

Als een kind onder druk van de omgeving komt te staan of aan zichzelf buitensporig hoge eisen stelt terwijl de spraakontwikkeling nog niet is voltooid, kunnen er voorbijgaande remmingen en haperingen in het spreken optreden (stotteren). Onzekerheid leidt tot haasten, haast tot struikelen. Als vroege ervaringen met spreken ontmoedigend zijn geweest, kan twijfel gaan overheersen. Rond de kern van primaire remmingen vormt zich dan een complex van noodoplossingen: aanpassingen, die samen het chronisch stotteren vormen . Aangezien de behandeling later grote offers vraagt is preventieve interventie geboden (counselen,  behandelen van het gezinssysteem).

Zelfs in aanwezigheid van een genetische aanleg is het mogelijk te voorkomen dat stotteren optreedt in de eerste levensmaanden of jaren. In die vroege levensperiode groeit het vertrouwen in anderen, de zekerheid zichzelf te mogen zijn en het recht te hebben voor zichzelf op te komen. Voorwaarde dat dit zich ontwikkelt is dat de stemsignalen van de baby bij de omgeving erkend worden wanneer ze uiting geven aan een dringende behoefte, aan een vraag om aandacht en troost, en dat die stemsignalen adequaat en enthousiast worden beantwoord. Zo ervaart het kind dat het enige greep op de wereld heeft. Kinderen die een fundamentele zekerheid en vertrouwen hebben ontwikkeld blijven gespaard voor de onzekerheid en het assertiviteitsconflict dat kern-stottermomenten veroorzaakt.